Een update, en excuses, maar toch vooral een update

“Annelies, je bent officieel niet meer ziek. Je bent herstellende.”

Het moet het voorlopige record ‘aantal begrepen woorden na mekaar, uitgesproken door professor De Meirleir’ zijn.
En of we ze begrepen hadden, mijn liefste en ik, meer dan begrepen zelfs, als dat überhaupt al mogelijk is.

Vooraleer ik echt aan mijn verhaal begin, moet me toch eerst nog iets anders van het hart.
Excuses.
Aan jullie allemaal.
Ik schaamde me behoorlijk diep toen ik even checkte wanneer mijn laatste blogpost verschenen was.
Vijfentwintig november tweeduizendzestien… tweeduizendZESTIEN.
En ik schaam me niet zozeer voor mezelf, voor het feit dat ik al zo lang niet de moeite heb genomen om wat woorden op papier te zetten. Neen, ik schaam me omdat ik gedurende al die tijd lieve berichten en vragen via mail ben blijven krijgen van mensen die zich afvroegen hoe het nu eigenlijk met me ging en wat de reden was dat er maar geen nieuwe post verscheen.
Ik heb elke mail persoonlijk beantwoord, dat wel, maar toch.
Ik wist dat veel mensen zaten te wachten op een uitgebreide update van mijn gezondheidssituatie, en ik heb er de tijd niet voor genomen.
Dat spijt me.
Oprecht.
Deze blog is er gestart vanuit een vorm van therapie, therapie die ik de laatste tijd veel minder nodig heb. Maar ik besef dat, van zodra je ervoor kiest om met je verhaal naar buiten te komen, mensen iets van jou beginnen verwachten.
En dat is wat mij betreft helemaal ok.
Als het louter en alleen voor mezelf was, had ik nooit iets moeten publiceren, en dan was dit stuk er waarschijnlijk nooit gekomen. Maar ik heb er destijds voor gekozen om wel te starten met een online blog, en daar horen bepaalde, om het wel erg zwaar uit te drukken, verantwoordelijkheden bij.
En op dat vlak voel ik me een beetje tekortgeschoten.
We gaan er nu ook niet meer van maken dan het is, maar ik vond het toch belangrijk om dat kort even te vermelden.

En dan nu terug naar de kern van de zaak, de laatste consultatie.
We schrijven zevenentwintig november tweeduizendzeventien.
Ik was een jaar lang pijlsnel geëvolueerd in de goede richting, maar de laatste maanden leek die vooruitgang nogal gestagneerd. Echt zorgen maken deed ik me nog niet, maar ik hoopte toch van de professor te horen te krijgen dat alles ‘normaal’ was. En eigenlijk wilde ik ook gewoon heel graag weten of ik nog meer verbetering kon verwachten of niet.
Ik was ontegensprekelijk enorm blij met alles ‘wat al was’, maar toch blijf je een beetje op je honger zitten als je niet goed weet waar het eindpunt ligt. De professor had me al meermaals gezegd dat hij geen antwoord had op die vraag, dat ik zou blijven evolueren tot ik dat ineens niet meer zou doen. Maar toch hoop je telkens weer dat er dit keer wel wat meer duidelijkheid zal zijn.
Ik mijn vragen goed voorbereid op voorhand, en ik was erop uit om ook echt antwoorden te krijgen.
En die kwamen er.
En ze brachten hoop met zich mee, nog meer hoop dan er al was.

Want ik ben genezen.
De patiënt is dood, lang leven de méns!

Genezen.
Wat een heerlijk woord.
Een woord dat we jarenlang dachten nooit meer te horen te krijgen.
En toch is het zo.
Ik heb geen ziekte meer.
Wil dat dan zeggen dat ik geen pijn meer heb?
Dat ik niet meer moe ben?
Dat het hele arsenaal aan symptomen dat ik had, nu in een klap allemaal verdwenen zijn?
Dat ik morgen terug voltijds begin te werken en drie kinderen tegelijk op de wereld kan zetten?
Neen.
Dat niet.
Maar wat dan wel?
Het betekent dat wat de geneeskunde voor mij kon doen, nu gedaan is.
En dat extra medicatie geven nu geen zin meer heeft.
Het enige medicijn dat nu nog werkt, is tijd.
Uiteraard is er voorlopig nog wel de pijnmedicatie, die ik nu al ongeveer een jaar onder strikte begeleiding van de pijnkliniek probeer af te bouwen.
Maar voor de rest ligt de bal volledig in het kamp van mijn lichaam dat zich moet herstellen, op eigen tempo.
En dan is alles mogelijk.
Ik kreeg van de professor de opdracht mee om te leven. Iets dat ik nu, op alle mogelijke manieren en met volle overgave, probeer te doen.
Dat wil zeggen dat ik mijn dagen nuttig probeer in te vullen, en meer en meer zicht krijg op waar mijn grenzen op dit moment liggen.
Met vallen en opstaan.

Ik ga elke dag een paar kilometer wandelen met Jess, de husky die we begin vorig jaar adopteerden uit het asiel. De lieve schat verdient een blogpost die helemaal rond haar draait, dus die komt er binnenkort ook zeker nog eens aan.
Dat wil verder ook zeggen dat ik plannen maak om weer enkele uren per week aan het werk te gaan. Meer nog, ik ben zelfs al gestart met mijn eerste stappen richting werk in de vorm van vrijwilligerswerk bij Animal Tails, een vzw die ongelooflijke dingen doet voor kinderen en jongeren en dieren inzet om die dingen te bewerkstelligen.
Ik ging al enkele keren mee naar een sessie om de sfeer op te snuiven, en een zicht te krijgen op de manier van werken. Een leuke extra is dat onze eigen hond ook deel kan uitmaken van de roedel waarmee gewerkt wordt. Zij vindt het heerlijk om samen te spelen met soortgenootjes, en bij Animal Tails kan ze zich op die manier helemaal uitleven en tegelijkertijd ook nog een meerwaarde betekenen. Binnen de vzw is het de bedoeling dat ik op termijn ook zelf groepen en jongeren ga begeleiden, en verder meewerk en meedenk over de groei ervan. Een beetje een manusje van alles dus.
Buiten dat hoop ik binnen afzienbare tijd ook weer een kans te krijgen om me te bewijzen in een betaalde job. Daarvoor spreek ik mijn contacten hier en daar aan, en houd ik de vacatures in de gaten.
Wat ik zal gaan doen is nog een groot vraagteken, maar werken zal ik.
En het zal verdorie deugd doen.
Maar omdat leven meer is dan werken alleen, besteed ik ook voldoende aandacht aan alles wat zich daarbuiten afspeelt.
Mijn vrienden hoeven niet meer elke keer naar ons toe te komen, neen, ik ga nu ook naar hen. Uiteten, op uitstap naar zee, naar een pretpark met mijn neefjes, familie bezoeken, BOB zijn na een avond uit, zelf naar de kinesist met de elektrische fiets in plaats van de kinesist aan huis, werken aan mijn spieren in de lessen hangmatyoga, ontspannen en werken aan mezelf in de gewone yogasessies.
Ik blijf niet bij de pakken zitten, ik geef stukje bij beetje weer invulling aan mijn leven.
Maar, na alles wat ik de voorbije jaren heb meegemaakt, doe ik het veel doordachter. Ik sta meer stil bij de keuzes die ik maak, want maak ik ze wel voor mezelf?
Volg ik mijn gevoel bij alles wat ik doe?
Ben ik dit, of wil ik er iemand anders mee plezieren?
Niet dat ik elke stap eindeloos analyseer, integendeel zelfs, het vloeit allemaal veel organischer voort uit de persoon die ik op dit moment ben. En dat zorgt ervoor dat ik heel vaak rondloop met een glimlach op mijn gezicht.
Ook als ik door mijn lichaam op de vingers wordt getikt, want ook die momenten zijn er nog geregeld. Als ik over mijn grenzen ga, soms ver, kan zelfs dat me gelukkig maken. Omdat dat meestal het gevolg is van een weloverwogen keuze. Een avond met vrienden die wat langer uitliep dan goed voor me is, maar met eindeloos plezier. Kan je dan huilen om een stram lichaam dat smeekt om platte rust de volgende morgen?
Ik niet, niet meer.
Het is soms nog lopen op glad ijs, en geregeld glijd ik uit en ga ik op mijn bek, omdat ik mezelf opnieuw moet ontdekken.
Wat kan die Annelies 2.0 al, en wat (nog) niet?
Feit is dat er een Annelies 2.0 is, en dat is eigenlijk het enige dat telt.

De viering van oud en nieuw was speciaal dit jaar, en niet alleen omdat ik voor de eerste keer in meer dan tien jaar nog eens mee ben gaan dansen.
Toen de klok twaalf uur sloeg, hebben Bas en ik ruim de tijd genomen om, tussen het gejoel van de vrienden waarmee we samen aan het vieren waren, even stil te staan bij onszelf.
Want tweeduizendachttien wordt een bijzonder jaar, dat kan niet anders.
Voor mij zijn er twee prioriteiten.
Ten eerste wil ik weer aan het werk.
Ik wil iets vinden waarin ik me kan ontplooien, op een plek waar ik me goed voel.
En ten tweede is er onze kinderwens, ook daarin willen we dit jaar stappen vooruit zetten. Op welke manier dan ook.
In oktober beëindigden we de voorbereidingscursus voor adoptie. Met het certificaat dat we daar behaalden moeten we binnen het jaar voor de rechtbank verschijnen, die dan op hun beurt een maatschappelijk onderzoek zullen eisen. Omdat we tijdens de cursus aanvoelden dat we op dit moment niet in de ideale positie zitten om dat onderzoek aan te vangen, besloten we dat jaar te nemen om een aantal zaken op orde te brengen. Eind augustus evalueren we, en beslissen we of we ons klaar voelen voor de psychologen of niet.
Ik begrijp dat ik dat even moet uitleggen, want waarom zouden we in godsnaam de procedure stoppen als we zo graag een kindje willen.

Op dit moment zijn er heel veel vraagtekens in ons leven, die ons hebben doen besluiten om er een jaar te laten overgaan. We begrepen tijdens de cursus dat er heel veel aandacht geschonken wordt aan stabiliteit, wat ik ook wel begrijp, en die is er bij ons nu gewoon nog niet.
Ik ben in ziekteverlof, maar die situatie is niet blijvend.
Waar ga ik terechtkomen?
Wat ga ik verdienen?
Hoeveel uur per week ga ik werken?
Kan ik vrijaf nemen om een tijdje bij ons kindje thuis te blijven als het naar hier komt?
Of Bas?
Allemaal vragen waar we op dit moment geen antwoord op kunnen geven maar die zeker aan bod zullen komen tijdens het maatschappelijk onderzoek.
Verder is er het feit dat eigen kinderen ook weer een mogelijkheid zijn. Van zodra ik medicatievrij ben, zijn we in principe in staat om kinderen te krijgen.
Als we die graag willen, lijkt het ons verstandiger daar eerst voor te gaan. Ik ben intussen ook geen twintig meer, dus biologisch gezien wachten we beter geen tien jaar meer als ik graag zelf zwanger wil worden.
En dat wil ik, heel graag.
Wat je hier las, blijft nog even hard gelden als toen ik het enkele jaren geleden schreef.
Dat adoptiekindje komt er, sowieso.
Maar op adoptie staat geen leeftijd, dus mogelijk komt het er gewoon iets later.

Deze blogpost werd geschreven door een andere Annelies dan de tekst van een dik jaar geleden.
Ze ziet er nog (min of meer) hetzelfde uit.
Ze is nog steeds smoor op dezelfde man.
Ze knuffelt nog even eindeloos met haar twee katten, vooral met Onze Kevin dan, want Dieander staat niet altijd te springen voor al dat plakkerig gedoe.
Ze woont nog steeds in hetzelfde huis dat nog steeds evenveel verbouwingswerken moet ondergaan.
Maar voor de rest is alles anders.
De rolstoel staat klaar om naar het containerpark te brengen.
Er kwamen een prachtige hond en kilometerslange wandelingen in de plaats.
Het medicatiezakje dat als met lijm aan haar hand was geplakt, is nu minder dan de helft zo dik.
En ze heeft een toekomst.
Eentje waar ze naar uitkijkt.
Eentje die haar doet glimlachen, en blij zijn dat ze leeft.

Maar vooral, deze Annelies geniet.
Van alles, hoe klein ook.
Deze Annelies hoor je zelden klagen, en al zeker niet over de kleine onbenullige zaken waar je toch niks aan kan veranderen. Want het fileprobleem zal morgen, ondanks je eindeloos gezucht en gefoeter, waarschijnlijk ook nog bestaan, en door hele dagen zuur rond te lopen zal het heus niet plots stoppen met regenen.
Jezelf slechtgezind door de dag slepen en over alles klagen en zure meningen ventileren is je reinste tijdverlies, en in die tijd had je zoveel mooie dingen kunnen beleven.

En dat laatste is mijn echte voornemen.
Niet alleen voor dit jaar, maar voor alle jaren die nog volgen.
Ziek zijn heeft me enorm veel geleerd, heeft van mij een mooier en gelukkiger mens gemaakt, heeft me doen beseffen dat relativeren je leven kan redden.
En die wetenschap en dat gevoel wil ik nooit meer loslaten.
Ik sluit een periode af, een heel moeilijke periode, en liefst wil ik nog zo weinig mogelijk terugdenken aan wat was.
Behalve dan aan de mooie dingen die ik eruit gehaald heb.
Die wil ik voor altijd koesteren.

26734327_10155565489309051_20703872341465838_n

Advertenties

Tijgerin to be

Ik heb eigenlijk nooit zoveel geblogd als ik eigenlijk wel zou willen, of als waar ik inspiratie voor had.
Tot een maand of twee, drie had dat altijd te maken met het feit dat het me lichamelijk te zwaar viel. Ik had gewoon teveel pijn om een blogpost uit mijn vingers te toveren, of ik was te moe om voldoende concentratie aan de dag te leggen om meer dan twee woorden na mekaar op papier te krijgen.
Maar sinds kort is de reden waarom ik al een tijdje niks meer van mij liet horen lichtjes veranderd.
Ik heb er geen tijd meer voor, mijn dagen lijken plots te kort te zijn geworden.
Want ik kàn weer dingen.
Soms.
Er is vooruitgang.
Ik zet stappen, grote stappen, tegelijk in de goeie richting.
Echt waar.

Zo’n drie maand geleden, tijdens de consultatie bij professor De Meirleir, zetten we een nieuwe stap in de behandeling van mijn ziek-zijn.
Ik vertelde goedgemutst dat ik eindelijk minder last had van de antibiotica, dat ik het nog steeds wel elke keer voelde als ik overstapte van pro -naar antibiotica, maar dat de klachten echt niet te vergelijken waren met wat ik eerder te verwerken kreeg.
Behalve dat probeerde ik ook stilaan wat meer te bewegen. Korte wandelingen, de blok rond, nog verwaarloosbaar voor zowat iedereen maar voor Bas en mij een reden om elke dag champagne te ontkurken.
Of ik mijn revalidatie misschien wat sneller wilde laten gaan, vroeg hij.
Elke andere dokter had ik geantwoord met: ‘Is de paus katholiek,’ of ‘Ziet de Dalai Lama graag oranje’. Maar aangezien de professor niet meteen een lachebekje is, hield ik het bij een spontane, en niet mis te verstane: “Ja! Graag! Hoe?”.
Naast een nieuwe kuur van de anti -en probiotica voor de darmen, die nog steeds in erbarmelijke staat verkeren maar wel duidelijk op de medicatie reageren, schreef hij me een kuur baxters met een cocktail vitamines en mineralen voor die mijn revalidatie een schop onder zijn kont zou moeten geven. Zekerheden waren er niet, die zijn er eigenlijk zelden, maar hij had al wel erg goede resultaten behaald met deze behandeling. En ik wilde mijn naam maar wat graag op dat lijstje met goede resultaten zien prijken.

Nu, drie maanden en alweer een consultatie later, zijn de resultaten bijna verbluffend te noemen. Ik zeg wel ‘bijna’, om stoer te doen, maar voor mij zijn ze nog veel meer dan dat. De resultaten zijn over the top, ongelooflijk, enkele-maanden-geleden-nooit-geloofd wereldschokkend!
Tussen haakjes, ik gebruik niet vaak uitroeptekens omdat ik een tekst er snel nogal cheap door vind klinken -ik kan niet uitleggen waarom, gewoon een gevoel- maar hier kon ik het nu eens écht niet laten.
De rolstoel blijft voor kleine eindjes -en bezoeken aan de kant. Vaak nog wel in de auto, want je weet nooit, maar toch. Ik wandel weer zelf naar de dichtstbijzijnde winkel om kleine boodschappen. En ik slaag er alweer in om dan meer te kopen dan mijn kwetsbare lijf kan dragen, because I can.
Hoe fantastisch is dat?!
Wat zo mogelijk nog meer deugd doet dan het stappen op zich, is het gevoel van vrijheid dat dat stappen met zich meebrengt.
Toen ik enkele weken geleden voor het eerst naar de postbus wandelende om een brief te posten, kon ik niet stoppen met glimlachen. Bijna vier jaar lang had ik zitten wachten met een brief tot Bas ’s avonds thuis kwam van zijn werk of op iemand anders die voor mij naar de bus, op een paar honderd meter, kon gaan.
Vier jaar… Kan je je dat voorstellen?
Eerlijk?
Nee, je kan dat niet.
Tenzij je het zelf hebt meegemaakt heb je geen flauw idee waarover ik het heb.
Jaren opgesloten zitten in je eigen huis, wachten tot iemand op bezoek komt of je komt halen, dat is… Ik weet het niet, ik kan niet direct een woord vinden om het te beschrijven -nochtans ben ik meestal redelijk goed met woorden- maar dit gaat mijn petje te boven.
Ik wil hier nu niet de zielige uithangen, in tegendeel, maar nu die jaren, hopelijk blijvend, achter me liggen, besef ik zelf niet goed hoe ik het gedaan heb al die tijd. Nu ik de laatste anderhalve maand weer gewoon zeg: “Ik heb zin om buiten te gaan, ik wandel eens rond de blok,” lijkt het zo onleefbaar om die beslissing zelf niet te kunnen nemen. En al gaat het nu nog maar om een kilometertje, maximum, het is een wereld van verschil.
Omdat ik de laatste maanden zo’n vooruitgang maakte, besloot de professor de behandeling te houden zoals ze was. De baxters blijven, die komen mijn revalidatie duidelijk ten goede (yes, ik mag mee op de lijst), de antibiotica blijven vechten en de probiotica herstellen wat de antibiotica kapot maakt. Omdat de bijwerkingen van die laatste zich, zoals gezegd, tegenwoordig gelukkig beperken tot wat last de eerste paar dagen, kan ik alleen maar zeggen dat het best goed met me gaat.
Op alle vlakken.
Ik kan bijna eerlijk ‘Goed’ antwoorden als iemand, die het eigenlijk geen zier interesseert maar niet meteen een andere vraag kan bedenken, vraagt hoe het me gaat.

Mijn grootste uitdaging nu is eigenlijk doseren.
Ik wil namelijk alles tegelijk.
Het voelt momenteel even alsof ik de wereld aankan, maar dat botst natuurlijk heel snel met het feit dat ik er nog lang niet ben, dat er nog veel te genezen en nog meer te revalideren valt.
Mijn dagen tellen simpelweg niet genoeg uren om én te wandelen, én yoga én krachttraining te doen, én te studeren, én voldoende rust in te plannen, én bij voorkeur ook nog eens tijd te maken voor sociale activiteiten.
Dat gaat niet.
En daar loop ik nu met de regelmaat van de klok keihard tegenaan.
Meer pijn, slechter slapen, niet wakker geraken of kunnen houden, nul concentratievermogen, geen plezier beleven aan, nochtans heel leuke, uitstapjes. Op den duur plan ik zoveel dat ik maar onderga zonder te beleven, om dan achteraf keihard in mekaar te zakken. En dat kan nu ook weer de bedoeling niet zijn.
Je zou denken dat het went, na al die jaren, dat je het leert om rekening te houden met je lichaam en zijn beperkingen. Maar geloof me, een mens met zoveel goesting in het leven als ik leert dat nooit.
Of toch nooit helemaal.

Hoe verrukt ik ook ben dat ik na al die jaren weer zicht heb op een beter, misschien zelfs normaal, leven, obstakels op de weg zijn onvermijdelijk. Zo moest ik bijvoorbeeld een tweetal weken geleden naar de adviserend geneesheer van de Christelijke Mutualiteiten en ging ik daar bijna in conflict.
Mijn vaste arts was er niet.
Ziek, op pensioen, daarover heb ik geen informatie, maar hij was er niet.
Er zat me een andere dokter op te wachten.
Jammer wel, want ik had zo uitgekeken naar de eerste keer dat hij me wandelend zijn consultatieruimte zou zien binnenkomen. Je moet weten dat ik het, anders dan velen, best wel kan vinden met mijn adviserend geneesheer. Meestal hebben we een fijn gesprek over de studie die ik aan het volgen ben, en prijst hij mij voor het feit dat ik, ook dit is anders dan velen, geen schepje bovenop mijn factor zieligheid gooi om hem ervan te overtuigen dat ik echt wel ziek ben. Dat doet hem namelijk steigeren, wat ik begrijp.
“Ik zie ook wel dat jij niet kan werken hoor, daarvoor hoef je hier niet te komen zitten kreunen,” zei hij vorige keer. Ik moest daar keihard mee lachen omdat ik het me zo voor de geest kan halen als ik denk aan sommige mensen die in de hydrotherapie mijn pad al kruisten.
Ik pik ze er zo uit, de kreuners.
Maar goed, het zou deze keer geen gezellig onderonsje worden met mijn vaste arts.
Mijn hart begon te bonken toen ik haar ogen zag draaien bij de woorden: “Sinds twee jaar heb ik de diagnose Lyme.” ‘De nieuwe dokter’, ik noem ze dan maar gewoon even zo, had gezegd dat ze mijn dossier had gelezen en dat ik dus het Chronisch Vermoeidheidssyndroom had.
Daarmee begon het gesprek.
Maar ik liet me niet doen en begon meteen over de vooruitgang die ik stilaan maakte, en dat ik het zo fijn vond dat ik weer kleine dingen zelf kon beginnen opnemen. Ik vertelde haar over mijn studie en de plannen die ik ermee had en dat ik geen dag langer thuis zou blijven dan echt nodig was want dat ik ambitieus was als nooit tevoren.
Gelukkig leek ze wel van mijn vibe te houden. We hadden verder een aangenaam, kort gesprek, ze verlengde mijn arbeidsongeschiktheid, wat uiteindelijk het enige is dat telt, en zei dat ze blij was om te zien dat ik het zo zag zitten.
En toen ik dacht dat het gesprek voorbij was, kwam het.
Ik moet erbij vertellen, het was een vrij jonge arts, en intussen weet ik dat ze in de opleiding geneeskunde leren ‘wat we (nog) niet kennen of begrijpen, bestaat niet’.
Maar dus, voor ik vertrek zegt de nieuwe dokter: “Ik wil je toch nog iets zeggen.”.
En dan vraagt ze me of ik toch zeker wel weet dat chronische Lyme niet wetenschappelijk bewezen is, en dat ik toch moet oppassen met het zo lang innemen van antibiotica. Ze raadt me aan om, naast professor De Meirleir, toch ook mijn behandelingen in erkende instituten zeker niet te verwaarlozen.
Ik weiger dit keer mijn mond te houden en repliceer dat ik weet dat er binnen de oerklassieke geneeskunde nog vragen zijn omtrent mijn ziekte, maar dat ik heel goed weet waarmee ik bezig ben en dat ik me langs alle kanten goed en van dichtbij laat begeleiden. Maar op dit moment wel in eerste instantie bij professor De Meirleir. Omdat hij degene is die erin geslaagd is mij, na een zoektocht van vijftien jaar, een uitweg te bieden in de vorm van een geneesbare diagnose die daarbovenop dan ook nog eens ongelooflijke resultaten heeft opgeleverd.
“Want ik loop wel weer hé mevrouw, ik ben hier binnen komen lopen, niet rollen. Waar de oerklassieke geneeskunde mij al lang had laten vallen, heeft De Meirleir mij recht van de euthanasie lijst geplukt en weer zicht op een kwaliteitsvol leven gegeven. En niet met een duistere behandeling die ik hem handje-contante moet betalen, maar met een getest en goedgekeurde methode die in Amerika en Duitsland al menig, door de oerklassieke geneeskunde opgegeven, patiënt het leven heeft gered.”
“Het spijt me dus mevrouw, maar ik ben heel zeker van mij stuk.”
Hoe ik dan zeker kon zijn dat mijn verbetering effectief door de behandeling kwam, zou het niet kunnen dat mijn lichaam die tijd gewoon nodig had gehad om terug tot rust te komen.
Het haar op mijn armen kwam recht toen ik mijn repliek begon met ‘Met alle respect’.
Als iemand dat zegt weet je dat er je iets te wachten staat.
“Met alle respect,” zei ik dus, “maar vijftien jaar? Vijf-Tien jaar?! Wel serieus blijven hé.”
“Voor ik mijn behandeling bij de professor startte, ging ik alleen maar achteruit, progressief, iets wat niet te rijmen valt met fibromyalgie of CVS of gelijk welke van de ziekten die zijn uitgevonden door dokters om te zeggen dat ze geen idee hebben wat je mankeert.” Je hoort het, ik was op dreef. “Nu zijn we twee jaar verder en heb ik op een drietal maanden tijd een ongelooflijke vooruitgang gemaakt. Heel toevallig net nadat de zwaarste kuren achter de rug zijn en er beginnend wordt ingezet op revalidatie.”
“Dat is wel een heel kleine beetje heel veel te veel toeval. Niet?”
Ze gaf aan te begrijpen dat ik ergens houvast zocht, maar dat ze me toch niet zonder waarschuwing wilde laten gaan.
Ik ben vertrokken.
Mijn bloed licht kokend, maar blij dat ik een keertje van me had durven afbijten en opkomen voor waar ik in geloof.

Eerlijk is eerlijk, misschien is niet alles wat tussen aanhalingstekens staat een woordelijke herhaling van hetgeen gezegd is geweest tussen mij en ‘de nieuwe dokter’.
Maar ik was toch een beetje stoer.
De weergave van het gesprek hierboven is hoe ik het graag had kunnen en durven zeggen op dat moment, maar de essentie blijft dezelfde.
In het echt kwam er extra alleen wat meer angstzweet, een trillend stemmetje en een stel rode kaken aan te pas.
Maar soit, dat is naast de kwestie.

Ik weet intussen echt wel wie ik ben en waar ik voor sta.
En daar vecht ik voor.
Als een tijgerin, voorlopig nog zonder gebit maar volop aan het slijpen aan een stel prachtig blinkende tandjes.
Mij gaan ze niet meer klein krijgen, ik word sterker en sterker.
Ik kijk vooruit.
Alleen nog vooruit.

Volle kracht!

zee

Healthy Escape, Viganj Croatia

Soms gaat het snel.
Ondanks alle miserie van de laatste jaren en de nood aan gepeins en ge -over -peins, ben ik mijn impulsiviteit ooit helemaal kwijt geraakt.
Annelies kwam er plots mee af, terwijl ze me bezocht in het ziekenhuis: “Mijn zus organiseert een gezondheidsreis in september, en ik ga mee.”
Zo begon het.
En enkele uren en een paar telefoontjes later eindigde het ook.
Met een inschrijving.
Voor mij.

Na de impuls komt de twijfel, dat is meestal zo, en in dit geval was die behoorlijk groot.
Want had ik dit nu niet veel te snel en met veel te weinig nadenken beslist?
Was het hier nu niet veel te vroeg voor?
Reizen was de laatste jaren nooit een optie, want ziek en zo, en nu zou ik het plots helemaal alleen gaan klaren?
En de groep, kon ik van hen wel verwachten dat ze zich over mij zouden ontfermen?
Want ik ben en blijf wel rolstoelpatiënt natuurlijk, en dat betekent voor een stuk afhankelijkheid van iemand anders.
Annelies zou er natuurlijk wel zijn, maar ik kon haar toch moeilijk verplichten mij de hele tijd van punt A naar punt B te brengen? Plus, ze is zwanger en mag dus niet meer alles doen, wat als het landschap veel op -en -aflopen inhield?
En wat met die yoga?
Ik had au fond geen enkel idee wat dat eigenlijk inhield. Als het niks voor mij zou blijken, was het dan allemaal geen verloren moeite en weggegooid geld geweest?
Misschien zou ik helemaal nergens aan mee kunnen doen, of liet mijn lichaam me na twee dagen in de steek. Zou ik dan niet volledig buiten de groep komen te staan?
Moest ik mezelf dat eigenlijk allemaal wel aandoen?
Waren er niet veel te veel losse eindjes, onzekerheden en dingen die fout konden lopen?

Na de twijfel komt het moment van jezelf oppeppen.
Want was het feit dat ik bulkte van de goesting nu niet het allerbelangrijkste?
En zou de rest, al het praktische, niet gewoon volgen?
Ik had dergelijke reis al jaren op mijn verlanglijst staan en kreeg nu een unieke kans om er eentje te maken op een presenteerblaadje aangeboden.
Werken met topcoaches die me opnieuw konden laten voelen dat ik een lichaam en spieren heb. Dat ik, ondanks alles, ook fysiek nog leef en de mogelijkheid heb om mijn lijf weer aan de praat te krijgen.
Zou het niet ontzettend dom zijn om deze opportuniteit aan mij voorbij te laten gaan?

Voor ik het goed en wel besefte werd het acht oktober, de dag van vertrek.
Bas bracht mij en Annelies, en onze koffers vol ‘geen idee welk weer het gaat zijn in Kroatië -kledij’, naar de luchthaven. Een gebrek aan verkeer op de baan en een lege luchthaven zorgden ervoor dat we nog heel wat tijd te spenderen hadden in een zich herstellende luchthaven van Zaventem.
Het was de eerste keer dat ik er kwam sinds tweeëntwintig maart, de dag dat elke Belg een stuk van z’n naïviteit verloor, en dat hakte er best wel stevig in.
Ik werd stil, de wereld speelde zich voor een ogenblik alleen maar af in dit gebouw, waar tenten stilaan weer in steen herbouwd worden maar het jachtige leven nooit meer hetzelfde zal zijn.
Terwijl we Starbucks weer enkele euro’s rijker maakten, vormde zich enkele meters bij ons vandaan een groepje mensen. Annelies merkte op een bepaald moment op dat dat weleens onze medereizigers zouden kunnen zijn, een blik werpend op het Facebookgesprek waarin we eerder al carpools naar de luchthaven regelden. Even daarna sloten we schoorvoetend aan en werden meteen meegezogen in een positieve vibe die de rest van de week stabiel aanwezig zou blijven.

Na de vlucht stond ons nog een tweeënhalfuur durende busrit naar het hotel te wachten. Op een slingerende bergpas hoog boven het felverlichte Kroatische land, leerden we elkaar stilaan een beetje beter kennen.
Kortbij middernacht bereikten we onze vakantiebestemming, een kleinschalig hotel dat de komende week volledig te onzer beschikking zou staan. Veel keuvelen met het ons opwachtende gezelschap was er niet bij. De meesten onder ons waren doodmoe en baanden zich ogenblikkelijk een weg naar boven, op zoek naar een kamer waar een papiertje met hun naam op de deur prijkte.

De eerste nacht zou niet de beste blijken, ondanks de vermoeidheid sliep zowat de helft van het gezelschap matig tot slecht door de koude. Ons hotel draaide alleen in de zomermaanden, wanneer het snikheet is in Kroatië, en beschikte daarom niet over centrale verwarming. Nu haalde het kwik overdag nog een mooie twintig graden, maar ’s avonds en ’s nachts koelde het dermate af dat een tweede, en voor sommigen ook een derde of vierde, deken geen overbodige luxe was.
De volgende morgen, na een uitgebreid, gezond ontbijt met zaden, fruit en naar onzer eigen wens gebakken eieren, troepten we samen om te ontdekken hoe de rest van de week er ongeveer zou gaan uitzien. Er was een redelijk vast stramien van yoga, ontbijt, sport, lunch, activiteit, yoga, diner, activiteit, avondsluiting, die de hele week gevolgd zou worden. Al waren er enkele dagen die hierop een uitzondering maakten omwille van een daguitstap naar een nabij liggend stadje of de beklimming van een berg in de buurt.
Sporten deden we onder leiding van Helena Van Der Plaetsen, zus van onze topper in de tienkamp Thomas, manager van onze Olympische gouden medaillewinnares Nafi Thiam, maar vooral ook personal trainer en toffe madam als zichzelf.
We kwamen bij Helena op het matje, letterlijk en figuurlijk, in groepjes van drie of vier personen, maar ze zette ieder van ons afzonderlijk aan het werk met oefeningen op zijn of haar lijf geschreven. Al zou je dat aan het gekreun en gevloek niet altijd hebben gezegd, Helena kon er verdorie de zweep opleggen om ons voortdurend net dat beetje verder te duwen.
Op dat laatste was alleen ik eigenlijk een uitzondering. Toen bij de eerste sessie bleek dat ik echt nog helemaal van voren af aan zou moeten beginnen, besloot Helena me apart te begeleiden om extra aandacht te kunnen geven aan de basis van alles. Mijn lichaam lag al jaren stil en moest opnieuw wakker gemaakt en overtuigd worden van het feit dat er spieren aanwezig waren die gerust weer wat mochten aansterken. Na een week werken met Helena had ik een aantal basisoefeningen waartussen ik van hartenlust kan variëren en elke dag uitpikken wat er mogelijk is en/of waar ik zin in heb.
Intussen zijn we zo’n tien dagen weer thuis en voel ik hier en daar al wat herwonnen kracht. Daarenboven begin ik zelfs al kleine veranderingen te zien aan mijn lichaam. Ik ben natuurlijk niet dik, maar toch zie je razendsnel hoe mijn lichaam er strakker en krachtiger uitziet als ik gedisciplineerd probeer dagelijks enkele oefeningen te doen en, dat mogen we uiteraard niet vergeten, de snoeppot links en de zakken chips in de kast laat liggen.

Maar het sporten was eigenlijk niet dé grote revelatie van de reis, aangezien ik eigenlijk al zo goed als dagelijks enkele buikspieroefeningen van de kinesist deed. Nu kan ik wat meer variatie aanbrengen, wat het vooral leuker maakt, en wat meer verschillende spiergroepen aanspreken.
Maar dat soort bewegen deed ik eerder al.
Wat wel helemaal nieuw was, is yoga.
En laat dat nu eens helemaal mijn ding blijken te zijn!
De eerste les yoga was, behalve uitermate idyllisch door de plaats waar ze werd gegeven, vooral enorm zwaar. De tranen prikten achter mijn oogbollen toen bleek dat ik helemaal niet mee kon, dat mijn lichaam langs alle kanten protesteerde tegen het soort en het tempo van de uit te voeren bewegingen.
Even kwam de twijfel weer torenhoog opzetten, zeker omdat ik eerder die dag ook al merkte dat ik niet in kleine groep zou kunnen blijven mee sporten. Ik vreesde dat ik weer te overmoedig was geweest, dat ik me had laten meeslepen door mijn eigen enthousiasme zonder stil te staan bij de gigantische hoop beperkingen die ik voorlopig nog steeds met me mee droeg.
Kevin, de coach, stelde me voor om de volgende dag eerst met mij alleen te werken, een halfuurtje voor de les van de groep begon.
Ik stemde in, blij als een kind dat ik zelf niks moest vragen. Ik haat het om ‘speciaal’ te moeten zijn, anders dan de anderen. Maar hier ging het zo natuurlijk dat ik me helemaal niet speciaal hoefde te voelen.
Weet je, zowat elke vakantie, elke groepsles, elke weet-ik-veel-wat-allemaal, is het eerste wat je hoort: “Doe vooral waar je zin in hebt en wat goed voelt”. Maar op de één of andere manier word je vaak dan toch op een bepaalde manier in een keurslijf geduwd. Soms zo professioneel verpakt dat je er misschien geen erg in hebt, maar toch op een bepaald moment begint te voelen dat je in een bepaalde richting wordt gepusht.
Hier niet.
Vanaf het eerste moment heb ik me vrij en veilig gevoeld op deze reis en binnen deze groep. Ik kon heel snel en makkelijk overstappen van ‘je vindt me toch zeker allemaal wel leuk’ -Annelies op honderd procent mezelf zijn.
En dat is heel wat voor mij, want ik ben nogal snel onzeker in groep.
Of ik zet eerst mijn masker van zelfvertrouwen op tot ik op mijn gemak ben, of ik trek me terug in een hoekje. Dat laatste is vaak gevaarlijk als je alleen bent, omdat je dan de kans loopt de boot der eerste kennismakingen te missen. Gelukkig heb ik daarvoor Bas meestal bij.
Die heeft een gigantisch masker, wat zeg ik windscherm, van zelfvertrouwen waar ik me gezellig en in stilte mee achter kan verschuilen tot ik klaar ben om mezelf te zijn. Soms is het zo’n geruststelling om gewoon maar ‘vrouw van’ te kunnen of mogen zijn.
Maar hier dus geen Bas.
Alleen mezelf. In een groep mensen die ik nog nooit van mijn leven had gezien.
Ik ga er niet steeds blijven bij vertellen dat Annelies er uiteraard wel was. Het is niet dat ik haar ooit zou kunnen vergeten, maar intussen ga ik ervan uit dat jullie wel weten dat ik niet helemaal in mijn eentje op het vliegtuig was gestapt.
We hadden het trouwens over yoga.
Dag twee ging ik met Kevin alleen aan de slag, en dat vlotte al een pak beter. De oefeningen volgden mekaar iets trager op en de staande reeks werden voor de gelegenheid volledig overgeslagen. Wat overbleef waren vooral zittende en liggende posities waarmee ik kon uitpakken met de overgebleven lenigheid uit mijn lang vervlogen turncarrière.
Ik genoot.
Kevin zag het en nodigde me uit de volgende dag terug een één-op-één sessie te organiseren, de snoeper.
Die dag bleef ik na mijn les hangen in de groepsles en deed ook daar nog enkele oefeningen mee, zo naar mijn zin had ik het. Omdat ook de groep smeekte om rustiger vormen en posities, besloot ik vanaf dan ook gewoon de lessen terug samen met hen mee te volgen. Wat niet lukte kon ik altijd overslaan.
Ook thuis blijf ik me in de meest vreemd yogahoudingen wurmen, mijn lichaam vindt het heerlijk om weer uitgedaagd te worden en zich te kunnen rekken en strekken. Toen ik, terug in België, opgewonden mijn relaas aan een vriendin vertelde, had ik meteen een partner.
Bij deze, als ik terug in staat ben zonder problemen de bus te nemen, schrijven Eva en ik ons in voor yogalessen.
Echt waar, ik kan niet wachten!

Dat ik fysiek met nieuwe inzichten en goede voornemens ben thuisgekomen, is jullie inmiddels vast wel duidelijk.
Maar dat is lang niet het enige.
Ik liep al lange tijd met een beetje een vies gevoel rond, namelijk dat ik veel ‘groeitijd’ aan het verliezen ben.
Wat ik altijd geloofde was dat ik tegen mijn dertigste wel een idee zou hebben van waar ik zo ongeveer naartoe wilde met mijn leven. Maar zo’n dingen leer je door te doen, door in het leven te staan en te (be)leven. Wat ik intussen al enkele jaren niet meer ten volle kan doen.
Zo was ik altijd tevreden met en in mijn job, maar wist ik ook wel dat ik dat niet tot het einde der tijden zou blijven doen. Niet alleen om de jobinhoud, want ik kreeg voldoende kansen op het werk om die voor mezelf interessanter te maken met leuke zij projectjes, maar ook de verplaatsing op zich kon wat mij betreft niet blijven duren. Voor een gezond mens is pendelen al een gigantische uitdaging, laat staan voor iemand die op fysiek vlak heel wat tekorten heeft om rekening mee te houden.
Hoe graag ik ook terug zou gaan naar Aalst, mijn lichaam gaat het me heel snel kwalijk nemen als ik besluit om opnieuw zoveel hooi op mijn vork te nemen als het moment daar is om terug de arbeidsmarkt in te duiken.
Maar wat moet ik dan wel gaan doen?
De studie voeding waar ik nu mee bezig ben is één ding dat ik hoop te kunnen aanwenden als ik terug aan de slag kan, en mijn sociale studies draag ik sowieso met me mee aangezien die onlosmakelijk verbonden zijn aan mijn persona.
En dan is er nog het reizen.
Hoe veel het ook van mij vraagt fysiek, als ik op reis ben, in een andere omgeving, kan ik altijd veel meer dan thuis. Ik herleef volledig in andere lucht.
Ik heb dat nodig om te leven.
Letterlijk.
Ik voel bij elke reis ook aan dat het voor mij veel levensnoodzakelijker is om geregeld weg te kunnen dan voor Bas. Hij kan er heel erg naar uitkijken om op reis te gaan, maar hij kan het ook vrij gemakkelijk loslaten als het niet kan om één of andere reden.
Ik niet.
Voor mij is reizen zoveel meer dan gewoon op vakantie gaan.
Die drie dingen verbinden zou misschien wel zomaar eventjes mijn droomjob kunnen zijn.
En dat is niet onmogelijk.

Het idee dat er misschien wel een heel goede coach in mij verborgen zit, kwam bovendrijven tijdens de vele gesprekken die ik met Eveline had op reis. Eveline is de founder van Healthy-escape en de zus van mijn Annelies, waarvan we nog steeds allemaal weten dat ze ook mee was op reis.
Ook zij ging door een heel moeilijke periode, fysiek en mentaal.
En ook zij gooide haar hele leven door mekaar op zoek naar haar roeping. Die vond ze in voeding, in coaching, in reizen en in de combinatie van alles. Ze vond haar droom, kneedde hem op maat en broedde http://www.healthy-escape.be en http://sof.travel uit, twee prachtige initiatieven die haar handtekening dragen.
Laat ik Eve maar even mijn voorbeeld noemen, iemand voor wie ik oneindig veel respect heb. Om de durf die zij aan de dag heeft gelegd om uit haar put te kruipen en op weg te gaan naar de top van de berg die ze nu met haar eigen handen aan het bouwen is.
Of ik de grote durf om te ondernemen en te beginnen met en van niks echt in mij heb, weet ik niet. Wat ik wel weet is waar mijn kwaliteiten zitten, wat ik wel en absoluut niet kan. Ik heb intussen genoeg meegemaakt om een goed beeld te hebben van wie ik nu eigenlijk ben, en wat ik bezit om mee aan de slag te gaan.
En daar ga ik ook iets mee doen.
Voorlopig nog allemaal vanuit de zetel, want beter worden is en blijft nog steeds prioriteit numero uno. Maar ik wil weer actief worden, iets betekenen.
Voor mezelf, voor anderen, voor de maatschappij.
Groeien als mens.
In Kroatië kreeg ik de kans om verschillende puzzelstukjes die al ergens klaar zaten in mijn hoofd, samen te leggen tot de aanzet van een mooie toekomst puzzel.
Op verschillende manieren.
Met de hulp van een hele hoop mooie mensen.

Daarom, Bedankt groep.
Voor het creëren van de veilige omgeving waardoor ik mijn masker vrijwel meteen weer in mijn bagage kon proppen.
Voor de fijne momenten aan tafel, ondersteboven in de yogales of in bikini aan het zwembad.
Voor de lachsalvo’s die ze zonder twijfel ook aan de andere kant van de baai konden horen.
Voor wie jullie zijn, allemaal, stuk voor stuk anders, uniek en enig in hun soort.
Bedankt.

Bedankt Helena.
Om mijn spieren terug wakker te maken en mijn dagelijkse oefenroutine een beetje op te leuken.
Voor het geduld dat je met mij had en de bereidheid om, naast je dagelijkse sporturen, man en kinderen aan de kant te zetten om je nog een extra halfuurtje met mij bezig te houden.
Bedankt.

Bedankt ook Kevin.
Om van mijn eerste kennismaking met yoga meteen een succes te maken.
Om me te doen voelen dat ik ook nog ergens goed in kan zijn, ondanks het feit dat ik een lichaam meedraag met meer kosten dan baten.
Om wie je bent, want je bent er eentje uit de duizend.
Bedankt.

Bedankt Eve.
Voor de leuke gesprekken die we hadden, in groep en apart.
Om me te inspireren niet alles uit te stellen tot ik er fysiek klaar voor ben, maar me zoveel mogelijk voor te bereiden om te kunnen knallen als het moment daar is.
Voor de organisatie van deze prachtige reis, waarop niks moest en alles kon.
Om op elke vraag een antwoord te bieden, al was het een eerlijke “Dat kan niet” of “Ik weet het niet,” want ook dat is een enorme kracht.
Bedankt.

Dit was mijn eerste gezondheidsreis, maar zeker niet mijn laatste.
Bedankt Healthy-Escape.
Bedankt.

14670867_667196376779421_2997907346743118101_n

 

Laat de kinderen tot mij komen

Drie kinderen, dat stond al vast vanaf de eerste kus.
Bas en ik, wij zouden voor drie kinderen gaan.
Twee van ons, een jongen en een meisje als het even kan, en een adoptiekindje om het gezin compleet te maken.

Gek eigenlijk hoe wij, op zo jonge leeftijd, exact dezelfde gezinssituatie als ideaal in ons hoofd hadden.
Moeilijkheden betreffende zwanger worden hadden we uiteraard niet voorzien op dat moment, waarom zouden we ook. Waarom zou je je zorgen maken over dingen die nog compleet niet aan de orde zijn, die op je zestiende zo ver van je bed zijn dat je er zelfs met twee verrekijkers nog geen glimp van kan opvangen.
Die twee kinderen met onze genen, die zouden er wel komen, geen probleem.
Probleemloze zwangerschap, pijnloze bevalling en floeps!
Dat we een adoptiekindje in huis zouden halen was eveneens een certitude.
Noem het zoals je wil, ons gaf het alvast het een goed gevoel een kindje met weinig tot geen kansen te kunnen omarmen en overladen met alle liefde die we te geef hadden.
Zo dachten we er veertien jaar geleden over, toen we pas een koppel waren.
En ondanks alles is aan dat ideaalplaatje nog bitter weinig veranderd.
Ja, in de ideale wereld hadden we al minstens één koter in huis, dat klopt, maar voor de rest bleef alles behoorlijk status quo.

Een tweetal jaar geleden zagen we onze kinderwens in mekaar storten.
Niemand had een antwoord op mijn aandoening en ik ging alleen maar achteruit.
We bereidden ons voor op een heus rouwproces, wij zouden nooit ouders worden want ik zou nooit fysiek in staat zijn om echt mama te zijn.
We waren het er meteen over eens dat we geen kinderen zouden maken om ze zo goed als fulltime door iemand anders te laten opvoeden, dat zou mij zo mogelijk nog zwaarder vallen dan helemaal geen kinderen hebben.
We zouden er moeten mee leren leven, nog maar iets om te accepteren, en een manier vinden om een zo gelukkig mogelijk leven te leiden met z’n tweetjes.
Een gezonde man.
Een zieke vrouw.
Geen kinderen.
Hoe moeilijk ook, we zouden er ons wel doorheen slaan.
Want zolang we samen waren, was geen berg te hoog.
En toen was daar Professor De Meirleir, en een nieuwe ziekte.
Eentje waarvan ik zou genezen dit keer.
Hij hield ons klimgereedschap in bewaring, in de hoop dat we het nooit meer terug zouden komen vragen.
Hij zou me immers beter maken.
Mogelijk goed genoeg om voor kinderen te zorgen.
Onze kinderen.
Bij mijn laatste consultatie kreeg ik te horen dat ik de bacterie niet meer kan doorgeven via mijn immuunsysteem. Dat wil dus zeggen dat ik zonder zorgen zwanger kan worden op het moment dat ik, zo goed als, medicatievrij ben en fysiek sterk genoeg om voor een baby te zorgen.
Al is dat moment nog niet voor morgen, voor mij was dat om één of andere reden toch erg belangrijk om te horen.
Omdat het een stap dichter is bij één van de dingen die deel uitmaken van onze toekomst.
Kinderen.

Ik had het eerder al over kinderen, onder andere hier, en hier, dat weet ik.
Maar die kinderwens is dan ook iets dat heel hard leeft binnen ons klein gezin, iets waarover we het best vaak hebben en waar ik geregeld over nadenk en droom.
De eigenlijke aanzet van deze blogpost kwam er eind maart van dit jaar, tweeduizendzestien. Hannes Coudenys ofte @hannes_bhc, die Bas en ik allebei enthousiast volgen op social media, mocht na vijf lange jaren eindelijk zijn adoptiezoontje Rae Morris ophalen in Guinee.
We zaten al enkele dagen aan Hannes’ Instagram en twitter gekluisterd, soms met pinkend oog bij het zien van al die liefde, toen Bas tijdens het bekijken van een random film op zondagavond vroeg of het eigenlijk niet onze tijd was om de procedure in gang te steken.
De adoptieprocedure.
Terwijl ik bedacht dat het nog niet zo dom was om er stilaan aan te beginnen, Bas zou vijfendertig worden in mei en zo’n traject durft al rap een jaar of vijf duren, kreeg ik een por in mijn zij omdat ik nog niet bezig was met het invullen van het aanmeldingsformulier.
Die avond verliep alles in stroomversnelling.
We lazen diagonaal de website van Kind&Gezin door, downloadden de nodige documenten, printten af, vulden in en plaatsten onze handtekening.
Toen Bas met de gefrankeerde envelop in zijn handen klaar stond om naar buiten te stappen, draaide hij zich om en vroeg “We zijn toch zeker hé?”. Daarop begon ik, beetje raar, heel erg te lachen omdat ik besefte dat we hier al altijd zeker van waren geweest.
Ik nam mijn lieve man in mijn armen, gaf hem duizend kussen, en verzekerde hem van het feit dat deze keuze helemaal de juiste was voor ons.

Wil dat dan zeggen dat we de hoop op eigen kinderen hebben opgegeven?
Helemaal niet.
We willen er nog steeds graag twee van onszelf, een jongen en een meisje als het even kan. En een adoptiekindje om het gezin compleet te maken.

Intussen zijn we alweer enkele maanden verder.
We hebben nu een dossier bij Kind&Gezin, en een nummer.
En de eerste twee infosessies staan gepland voor september en oktober.
De eerste grote stap.
Twee halve dagen waarop we vermoedelijk overrompeld zullen worden met zowat alle mogelijke informatie die je maar over adoptie kan vinden. Wat is binnen -en buitenlandse adoptie, de procedures, prijzen, landen van herkomst, moeilijkheden, valkuilen, wetten en plichten, de hele mikmak.
Daarna krijgen we de tijd om te beslissen of we effectief willen doorgaan of niet. Wat ons betreft is die keuze al redelijk hard gemaakt, maar blijkbaar vallen er na de infosessies toch nog heel wat kandidaten af die het zich vermoedelijk toch allemaal wat rooskleuriger hadden voorgesteld.
Als we kiezen om de procedure effectief op te starten komen we weer op een wachtlijst, dit keer voor de opleiding. Dertig uren, als ik me niet vergis, les over adopteren en opvoeden. Sinds ik het boek “En toen kwam jij” van Tom De Cock las moet ik zeggen dat ik best wel uitkijk naar die periode. Ik besef dat het erg belastend zal zijn allemaal, maar daarnaast lijkt het me vooral uitermate boeiend.
Onze grootste stress is helemaal niet de procedure, de huisbezoeken, de rechtbank of wat dan ook. Dat zien we allemaal wel als het eenmaal zo ver is.
Onze allergrootste stress is gewoon maar mogen starten.

In de allereerste mail stond in grote letters, of waren die letters alleen in onze hoofden zo vetgedrukt, dat beide adoptieouders in goede gezondheid dienen te verkeren.
En dat is natuurlijk niet zo.
Ik ben niet gezond.
Nu toch nog niet.
Maar onze wens om een kindje te adopteren is heel echt en diepgeworteld, en we hopen dat we de kans zullen krijgen om dat te vertellen en te laten zien alvorens terug naar huis gestuurd te worden.
Wij zijn heel realistisch als het op kinderen aankomt, waren we dat niet hadden we er al lang een paar op de wereld gezet. Zonder nadenken over de gevolgen van een mama die haar baby niet kan optillen of troostend in de armen nemen.
Wij willen dolgraag kinderen, maar alleen als we er klaar voor zijn.
Niet in ons hart, want dat zijn we al tijden, maar puur fysiek.
Dat geldt evenzeer voor een eigen -als voor een adoptiekind.
Ik zeg soms dat ons adoptiekindje gerust mag aankomen op de dag dat ik beval van een eigen kind. Dat kan wel tellen als mental picture, niet?
Om maar te zeggen dat de wens voor beiden even intens is.
Dat elk kind in ons gezin welkom zal zijn.
Dat we het in ons hart zullen sluiten en bedelven onder liefde, van waar of op welke manier het dan ook bij ons terecht is gekomen.
We hopen van harte dat we de procedure nu mogen aanvangen, zodat we niet nog van nul moeten beginnen op het moment dat mijn gezondheid het toelaat ook effectief een kind in huis te nemen.
Dat is op dit moment onze allergrootste wens.

“Laat de kinderen tot mij komen. Alle, alle kinderen.”
Dat zei Jezus in een liedje dat ik zong op mijn eerste communie.
Nu, echt allemaal is misschien wat veel van het goede, maar laat ze toch maar komen, die kinderen.

Twee van ons, een jongen en een meisje als het even kan, en een adoptiekindje om het gezin compleet te maken.

IMG_2788

Let’s get MUD

“Hoe graag ik ook verrast word voor mijn verjaardag, dit jaar hoeven jullie geen moeite te doen. Ik weet wat ik wil!”
De vriendinnen trokken grote ogen, ik had nog nooit tips gegeven voor een verjaardagscadeau, omdat ik het verrassingsaspect nu net het leukste vind aan jarig zijn. Maar een week voor mijn aankondiging had ik het licht gezien.

In 2016 zou ik dertig worden, nog een jaar te gaan dus, en ik had mezelf nog nooit geschminkt.
Daar moest verandering in komen.

Niet dat ik ambitie had in het worden van een geplamuurde Barbie, maar ik had wel graag de basis aangeleerd gekregen. Dat ik me bij een trouw -of ander feest tenminste uit de slag kon trekken.
Ze waren best enthousiast, de vriendinnen. Met z’n allen naar de make-up school, een beter cadeau, voor mij én voor hen, konden ze zich niet voorstellen.
Zo gezegd zo gedaan, op mijn speciale dag kreeg ik een cadeaubon voor een workshop Natural Day Look bij Make-up Designory, beter bekend als MUD.
Maar hoe gaat dat met een groep drukbezette vrouwen…
Het duurt maanden voor je een datum vindt waarop iedereen zich tezamen vrij kan maken. In ons geval begon de zoektocht begon in oktober, en op veertien mei was iedereen beschikbaar.
We reserveerden enkele maanden op voorhand en het aftellen kon beginnen.
Ik, als make-up groentje, had totaal geen idee wat te verwachten.
De anderen ook niet, maar die hadden tenminste al eens een borstel in hun handen gehad met een andere doel dan het schilderen van een kamer of het kladderen op een blad papier.
Omdat ik sinds de rolstoel nog zelden in het centrum kom, had ik de MUD-studio in de Brabantdam nog nooit gezien. Of misschien wel, maar aangezien make-up me niet prikkelt was ze me gewoon nooit opgevallen.
Alleszins, ik trad binnen in een cleane ruimte met mooie grote ramen.
De ruime winkel bevond zich vooraan met daarachter, in dezelfde ruimte, een reusachtige spiegel met daarvoor een lange hoge tafel met krukken eraan.
Niki, één van onze twee begeleidsters voor de namiddag, begon met een inleidend woordje en nam daarna een ‘voor’- foto van de groep.
Zonder make-up dus.
Daarna was het aan ons. We vertelden eerst elk om beurt kort of we iets van cosmetische middelen gebruikten en,zo ja, wat, waar en wanneer.
Al snel bleek dat in dit groepje zo goed als niemand dagelijks make-up gebruikt, en niemand zich ooit zwaar opmaakt.
We konden allemaal nog veel leren, dat was duidelijk.

De volgende drieënhalf uur vlogen voorbij.
Beginnen deden we met het aanbrengen van een primer en het uitzoeken welke tint foundation voor elk van ons de juiste was.
Een eerste openbaring…
Ik had gezworen nooit foundation te gebruiken omdat je er dan gaat uitzien alsof ze cement op je gezicht hebben gegoten.
Het blijkt dus ook anders te kunnen?!
De kleur die ik gebruikte leek zo hard op mijn eigen huidkleur dat je nauwelijks kon zien dat ik iets droeg. Mijn huid werd egaler, strakker, maar op een heel natuurlijke, bijna onzichtbare manier.
De werkwijze bleef de hele namiddag dezelfde.
Eén van de begeleidsters nam de helft van ons gezicht onder handen, de andere helft moesten we zelf zien te klaren. Een heel fijne manier van werken omdat je het van heel dichtbij kan zien en de handeling zo ook relatief snel onder de knie krijgt.
Na de eerste, volgde meteen een tweede openbaring: concealer!
Er bestaan twee soorten: de oranje, die blauwe kringen wegfiltert; en de groene, die rode puntjes of vlekken zo goed als onzichtbaar maakt.
Eén van de vriendinnen heeft geen wallen, maar wel blauwe vlekken onder de ogen. Dat was niemand van ons ooit echt opgevallen, maar blijkbaar kreeg ze toch vaak de opmerking er moe uit te zien. En inderdaad, als we erop gingen letten, waren de kringen duidelijk zichtbaar. Het verschil na het aanbrengen van de concealer aan één kant was verbluffend, onze zes monden vielen open van verbazing.
Toen werd ik nog enthousiaster dan ik al was.

Wat make-up allemaal kon doen.
Er ging een heel nieuwe wereld voor mij open.
We noteerden allemaal druk tips, manieren van aanbrengen, juiste kleuren voor ons gezicht, ogen, lippen en bekeken mekaars resultaat van dichtbij.
Een échte vrouwennamiddag werd het, buitengewoon plezant.
Wat ook een ontzettende meevaller werd, was het feit dat tijdens de workshop niet één keer geleurd of aangedrongen werd om producten te kopen. Waar ik het gevoel van opdringerigheid rond het aankopen van materiaal eerder best wel vaak had gehad bij workshops, was daarvan bij MUD geen sprake van.
We kregen zelfs persoonlijk advies als we twijfelden of we bepaalde dingen nu wel of niet zouden meenemen. Zo was ik niet helemaal zeker welke producten ik écht nodig had om een goede basis in huis te hebben, waarop Niki me heel eerlijk hielp zoeken naar de zaken die op mijn gezicht het meest effect hadden en welke ik evengoed, voorlopig, achterwege kon laten.
Uiteraard kocht ik onze rekening leeg, ik had dan ook absoluut niks en wilde natuurlijk kunnen gebruiken wat ik had geleerd, maar alleen omdat ik dat zelf wilde en niet omdat ik me ergens toe verplicht voelde.

Sinds veertien mei oefen ik bijna elke dag.
En ik schep er wonder boven wonder nog plezier in ook.
Soms gebruik ik dit, en dan weer dat in combinatie met dat. De hele mikmak op mijn gezicht smeren, houd ik voor het eerstvolgende trouwfeest.
Nu wil ik vooral de handelingen in de vingers krijgen zodat ik er niet steeds een uur mee kwijt ben.
Ik had het nooit in mezelf gezien, maar ik begrijp nu wel wat er leuk is aan make-up. En dat je er niet per sé hoeft uit te zien als een afgelekte troela als je er gebruik van maakt.
Het is gewoon een manier om je sterke punten te accentueren en de foutjes te maskeren of te corrigeren. Een manier die zo goed als onzichtbaar is als je ze goed uitvoert.
Het maskeren toch.
Van het accentueren zou het best belachelijk zijn als je het niet zou zien.
En zonde van het geld bovendien.
Want goedkoop is het niet. Toch niet als je goede producten wil.
Daarom gaf ik bij MUD met plezier geld uit voor degelijke producten, met goede pigmenten, en niet getest op dieren. 
En aan borstels, met echt mensenhaar, die je niet na twee maanden moet vervangen.
Als ik dan toch investeer, dan liefst in degelijke producten.
Die vijftig euro aankoopkorting die je bij de workshop krijgt, waren dus zéker mooi meegenomen.
Nogmaals, mij zal je nooit elke dag zwaar geschminkt zien rondlopen.
Maar ik gebruik intussen wel al bijna dagelijks mijn concealer en poeder.
En maakte al geregeld mijn ogen wat op als ik ergens heen moest.
En ik ben vooral blij dat ik nu eindelijk wat gerief in huis heb én ook nog weet wat ik ermee aan moet.

Mij zal je niet gauw ergens reclame voor zien maken, maar ik kon het echt niet laten uitgebreid te beschrijven dat ik met deze workshop een schitterende dag cadeau kreeg.
We hebben gelachen, gestaard naar onszelf en elkaar, geleerd, gevraagd en het zotteke uitgehangen. En dat was allemaal meer dan ok.
De begeleidsters pasten zich meteen aan onze groepsdynamiek aan.
Perfect!
Dus wil je dat verdomde make-uppen toch wat beter onder de knie krijgen én een topdag beleven, heb ik maar één tip: trommel je beste vrienden op en…

Let’s get MUD!

13173608_10154782767014186_5149165749223639378_o

Madrid. En meer.

Ik zei hem dat hij te hard werkte, te veel uren klopte en te weinig rust nam.
Dat hij moest gaan beseffen dat hij al maanden slecht sliep omdat zijn zaak hem zo hard bezig hield en dat hij daar dringend een evenwicht in zou moeten gaan zoeken.
Dat een bedrijf leiden niet betekende dat je 365 dagen per jaar aanwezig dient te zijn, dat hij zichzelf af en toe ook rust en vakantie moest gunnen.
En dat hij dat NU zou gaan doen.
Met die woorden plantte ik mijn man streng in de zetel, die donderdagavond, laptop op schoot, alle bestemmingen open. Lang weggaan zouden we niet, want het moest snel, hij zat erdoor.
Een paar dagen, dan is een stad de makkelijkste bestemming.
Hij koos Madrid.
Ik boekte het.
Vier dagen.
Nog drie weken wachten.

Vrijdag achttien maart tweeduizendzestien, luchthaven Charleroi.
Er hangt koffie in onze mondhoeken en de laatste hap van een versteend luchthavenchocoladebroodje is nog niet binnen wanneer een vertraging van onbepaalde duur wordt aangekondigd.
Mist.
Het vliegtuig kan niet landen en staat te wachten in Duitsland tot het opnieuw kan opstijgen.
Pech, maar we laten het niet aan ons hart komen.
We krijgen een voucher om iets te eten en we hebben Fruzsina gespot, de vriendin van een werkgerelateerde vriend van Bas, zij zit hier ook vast dus kunnen we de tijd evengoed samen doden.
Hij vliegt.
De tijd, niet het vliegtuig.
Het is te zeggen, het vliegtuig ook, maar pas een uur of vijf na het oorspronkelijke vertrekuur.
Na wat gedoe met een taxichauffeur die letterlijk geen woord Engels begreep konden we op weg naar onze Air BnB, in het centrum van de stad. De auto stopte in een wat vuile straat, voor een afbladderende deur. In een koffieshop om de hoek haalden we de sleutel op en, de hondenpoep ontwijkend, baanden we ons een weg naar ons logement.
We zijn intussen zo’n twaalf uur op, wat een eeuwigheid is voor mij, en ik ben kapot. Ik zou geld geven om een paar uur te kunnen slapen, maar we besluiten toch ons gerief te droppen en meteen weer te vetrekken voor een korte wandeling en aansluitend diner, anders komen we van de hele avond niet meer buiten.
Maar eerst dus die valiezen droppen.
In een kamer die in niks gelijkt op de foto’s die we online zagen. Of ja, de meubels zien er iets of wat hetzelfde uit, maar werden overduidelijk getrokken met een groothoeklens en dertig felle lampen in de ruimte. Het appartement is piepklein en heeft geen raam naar buiten.
Ik lieg, er is een raam dat uitkijkt op een koer van één op één meter en zes meter hoog is, qua uitzicht kan dat tellen. Maar bon, we zijn geen moeilijke mensen en je gaat niet op citytrip om op je kamer te zitten, dus gaan we meteen weer op pad.
Op het vliegtuig kregen we van een Madrileense nog trots te horen dat het in Madrid nooit regent.
Behalve nu dan.
Blijkbaar.
We gebruiken onze gids en gaan op zoek naar een degelijke tapasbar. Ik vervloek mijn antibiotica als ik Bas zijn tweede cocktail zie bestellen en laaf me aan mijn alcoholvrije mojito. De tapas gaan vlot binnen, al kostte het best wat moeite om door te gaan nadat we in ons bord gegrilde inktvis een schaamhaar terugvonden.
Ja precies, een schaamhaar.
Kon ik springen en huppelen, ik was springend en huppelend naar buiten gelopen.
Maar we laten ons niet kisten door een donker krullend haartje en eten ons moedig door de volgende borden, die best lekker smaken.

Dag twee begint eerder in mineur.
Ik sliep niet.
Niks.
Slecht bed, veel pijn.
Bas sliep niet.
Of toch weinig.
Slecht bed, veel lawaai.
Een verkwikkende douche moet soelaas brengen en ervoor zorgen dat we door de smerige staat van ons logement door kunnen kijken. Er ligt overal stof, we plakken aan de vloer en er staat niet één glas in de kast waar ik voor al het geld ter wereld mijn lippen aan wil zetten.
Ik was me en schep nog op tegen Bas over het relatief degelijke karakter van de waterstraal. In de badkamer moet je alleen maar de muffe schimmelgeur wegdenken, dat moet lukken.
Helaas leert een vloekende Bas even later dat vijf minuten douchen het einde van warm water voor dag twee betekent.
We hebben het gehad.
Ik kan er nog enigszins mee lachen, al lijken nog twee nachten in dit bed geen al te beste beslissing als we ook nog effectief iets van Madrid willen zien, maar Bas’ hele lichaam staat op donderwolk.
Je kan het hem moeilijk kwalijk nemen, we zijn een jaar niet weggeweest, we hebben maar vier dagen, de jongen is helemaal overwerkt en heeft zichzelf nu eindelijk een paar dagen vrij gegeven, en dan kom je, nog steeds ruikend naar een vliegtuig, terecht in een kruipkot waar je je niet eens deftig kan wassen.
Ik besluit dat we een hotel boeken, op deze manier zal er immers weinig gerelaxt worden, dan kunnen we evengoed terug naar huis gaan. Een hotel dus.
Vier sterren, beetje luxe mag wel, als je de dag zelf boekt krijg je toch fameuze kortingen.
Beste beslissing van het jaar, blijkt even later.
Mijn liefste kan weer breed lachen.
We hebben een douche, mét warm water!
En een balkon, mét zon!
Vandaag is een goeie dag, en hij wordt alleen maar beter.
De zon schijnt de hele dag, behalve dan een halfuurtje op het moment dat wij volop aan het lunchen zijn in een steengoed restaurant.
Alles klopt.
Alles.
We glunderen.
We ontdekken de gezellige kleine straatjes van de volks -en homobuurt Chueca, shoppen in de gezellige boetiekjes die we her en der tegenkomen, eten een ijsje en babbelen en lachen erop los.
Madrid geeft best een goede vibe, nu het weer wat meezit.
Het valt ons wel op dat ze hier niet zot zijn van toeristen, en dat laten ze ook vaak merken. Mensen zijn ofwel ontzettend vriendenlijk, ofwel ronduit boertig. En dat is even schrikken soms.
Voor de rest is de stad, naar onze bescheiden mening na die paar dagen, jong, best hip hier en daar, volks, gezellig, maar vuil. Het voelt vuil, dat gevoel hebben we allebei.
Ligt het enkel aan het feit dat er bij ons nog nauwelijks hondenpoep op straat ligt en ze er hier duidelijk minder streng op zijn, of is er meer. Ik heb er niet echt een antwoord op.
Maar we deelden alleszins dezelfde mening.
Ook zondag was een goeie dag, met eindeloos genieten van een fijne stad én mekaar, onze laatste avond afsluitend in een meer dan degelijk sushi-restaurant.

Maandagmorgen werd ik gewekt door het wel erg hevig aanslaan van de toetsen van een keyboard. Op twitter had iemand Bas attent gemaakt op het feit dat er werd gestaakt door de luchtleiders in Frankrijk. En ja hoor, onze vlucht was gecanceld. We zouden vandaag niet thuis geraken.
Samen probeerden we een vlucht vast te krijgen voor dinsdag, wat niet gemakkelijk was aangezien iedereen die maandag over Frankrijk zou moeten vliegen nu op zoek was naar een nieuwe manier om thuis te geraken.
Na veel gedoe met een VISA-kaart, waarmee je blijkbaar niet meer kan betalen zonder dat verdomde bakje van de bank, kregen we, met de financiële hulp van ons aller Bram, een vlucht vast voor woensdagavond.
Dat betekende dus twee volledige extra dagen Madrid.
Bas moest even aan zijn humeur werken. Die kon alleen denken aan zijn bedrijf, de meetings van de komende dagen die door collega’s zouden moeten opgevangen worden en strakke deadlines die in het gedrang dreigden te komen.
Dat begreep ik natuurlijk allemaal, maar we konden nu eenmaal weinig aan de situatie veranderen en konden er dan beter het beste van maken en proberen genieten van de extra tijd die ons gegeven was.

Die positieve houding was echter buiten dinsdag gerekend, die noodlottige dinsdag tweeëntwintig maart, de dag dat de wereld op onze kop viel.
Bas was vroeg wakker geworden en wekte me van zodra hij de eerste nieuwsberichten over de aanslag op de luchthaven van Zaventem ontving. Vanaf dat moment staarden we allebei compleet verbouwereerd en met open mond zo’n drie uur onafgebroken naar het scherm van de laptop.
Wat was dit…
In de loop van de namiddag maakten we ons sterk dat het ons goed zou doen even een wandeling te maken, maar van een groot succes kun je wat dat betreft amper spreken.
Er is op zo’n dag nu eenmaal maar één onderwerp waarover je kan praten, waarover het gerechtvaardigd voelt dat je praat zelfs.
We vonden onszelf onmiddellijk verwend omdat we gisteren nog zo gezeurd hadden over de staking boven Frankrijk, en over de vluchten die maar niet geboekt raakten. Dat was plots allemaal immens futiel geworden.
We zouden wel eens thuis geraken, wanneer, dat zagen we wel.
We leefden.
En we waren samen.

Uiteindelijk werd het donderdagavond voor we Gent terugzagen, drie dagen later dan gepland.
De laatste dagen Madrid werden we een beetje geleefd, we ‘deden ze uit’ als het ware.
Bas werkte, ik las en sliep veel.De extra dagen en de spanning van de gebeurtenissen hadden mijn lichaam geen goed gedaan.
Af en toe maakten we een wandeling of gingen samen uiteten, maar aan lachen kwamen we nog nauwelijks toe.
Het was ook allemaal zo onwezenlijk.
We bleven de berichten ook op de voet volgen. De lockdown van Brussel en later van het hele land, de achtergebleven bommen en de zoektocht naar de man met het hoedje.
Van vakantie kan je in deze context echt niet meer spreken, je wil gewoon thuis zijn op zo’n moment. Hoe raar het ook klinkt, bij ingrijpende gebeurtenissen wil ik altijd aanwezig zijn, ik wil echt voelen hoe het binnenkomt, wat dat doet met mezelf en de mensen rondom mij.
Bas is net zo, daar vinden we mekaar dan ook meteen.
Misschien een rare vergelijking, maar toen Luc De Vos, hét Gentse icoon, overleed, waren wij juist op weekend in Antwerpen met vrienden. Waren we met z’n tweetjes geweest hadden we meer dan waarschijnlijk meteen de auto terug naar Gent genomen.
Om het ‘mee te maken’.
Wij zijn geen ramptoeristen, absoluut niet, maar bepaalde gebeurtenissen doen iets met mensen en plaatsen waar je op dat moment gewoon deel van wil uitmaken, middenin wil zitten.
Ik vrees dat ik het onmogelijk beter uitgelegd krijg dan dit.

Het minste wat je kan zeggen is dat ons eerste reisje in twaalf maanden er eentje van het bewogen type is geworden.
Niet écht wat we op dat moment nodig hadden, zeg maar.
Bas keerde meer gestrest terug dan hij vertrok en ik keek op naar twee weken volledige platte rust ter recuperatie.
Maar erger dan dat alles was het feit dat we weer een stukje illusie armer waren geworden.

Mensen maken mekaar kapot om gelijk welke reden, op de wreedste manieren eerst.
Ik begrijp dat niet.
Hoe kom je zover dat je denkt dat mensen massaal de dood injagen de beste, en een te rechtvaardigen, manier is om je ideeën aan de buitenwereld te verkondigen.
Dat gaat er bij mij niet in.
En misschien maar goed ook.
Als je zulke dingen begint te begrijpen ben je volgens mij al best ver heen.
Laat me dus maar dom blijven.
Laat me even geschokt zijn, en blijven, telkenmale dergelijke zaken in het nieuws komen. In Frankrijk, hier, maar ook in de rest van de wereld.
Laat me met open ogen en mond blijven versteld staan, en de tranen voelen prikken, van wat mensen mekander kunnen aandoen in de naam van religie, politiek of wat dan ook.
Ik begrijp het niet en ik wil het niet begrijpen.
Maar laat me alsjeblieft zo naïef zijn te geloven dat het ooit allemaal weer beter wordt, dat het anders kan, dat er een manier bestaat waarop we allemaal samen kunnen leven.
Zonder conflicten die zo fel escaleren dat mensen mekander de kop in willen slaan.
Ik wil dat geloven, tegen beter weten in misschien.
Maar ik wil dat blijven geloven.

Dat onze wereld het nu moeilijk heeft, maar dat het tijdelijk is, dat er beterschap op komst is en dat wij die nog gaan meemaken.
Dat ik met een gerust hart kinderen op de wereld kan zetten en ze, na een lang en heerlijk leven, met een gerust hart kan achterlaten op deze aardbol.
Omdat ik weet dat het er veilig en gezond leven is.
En dat de wereld niet om zeep is, maar herboren.

Aan welk station zitten we nu eigenlijk?

Bijna wekelijks krijg ik warme berichten, via allerhande kanalen.
Mensen die bezorgd zijn, benieuwd zijn, of gewoon lief zijn, sturen me briefjes met troostende woorden, mails vol steun en liefde en kaartjes met opbeurende tekeningen op de voorkant.
Maar ik krijg ook regelmatig vragen van lotgenoten, en verzoeken om meer informatie over mijn gezondheidstoestand.
Ik merk dat heel veel mensen, of ik ze nu ken of niet, oprecht nieuwsgierig zijn naar mijn toestand en vooruitgang, en ik houd jullie dan ook met veel plezier op de hoogte.
Het was lange tijd erg moeilijk om te schrijven, en dat is het nog steeds, mijn vingers willen vaak niet lang genoeg mee om een volledige blogpost rond te krijgen en mijn concentratievermogen is wispelturiger dan het humeur van de gemiddelde puber, maar ik probeer stukje bij beetje toch een soort van update-bericht op poten te zetten om al die lieve boodschappers op de hoogte te brengen van de huidige status.

De laatste maanden waren erg zwaar, het laatste anderhalf jaar eigenlijk, sinds ik met de behandeling tegen de ziekte van Lyme begon. Elke nieuwe antibioticakuur heeft zijn punt waarop ik even breek. Soms maar een beetje, soms helemaal tot er niks meer overblijft om te bewegen, te slapen, te eten, te leven.
Zo belandde ik op kerstavond-dag in het ziekenhuis voor een extra dosis ketamine, omdat ik de hele dag huilde van de pijn en niks meer kon bewegen. De pijn letterlijk niet meer aankunnen, het bestaat.
Maar ook dat gaat weer over.
Intussen kan ik weer vechten, en voel ik weer die minieme vooruitgang die ik eind vorig jaar ook al dacht te herkennen. Over grenzen gaan en de recuperatietijd stukje bij beetje zien inkorten, een bijna onzichtbaar maar toch duidelijk herkenbaar verschijnsel. Ik word er zowaar weemoedig van.
Is dit het nu?
Het begin van de vooruitgang?
Professor De Meirleir is geen ‘mensenman’, voor hem tellen bloedwaarden en onderzoeksresultaten. En toch kreeg ik bij mijn laatste afspraak te horen dat hij verwacht dat ik tegen juni van dit jaar de eerste echte duidelijk verbetering mag verwachten. Hij is er de man niet naar loze beloften te maken, of patiënten ‘zomaar’ een goed gevoel te geven, en dat maakt dat deze uitspraak maar blijft nazinderen.
Juni, dat is wat ze ‘binnen afzienbare tijd’ noemen.
Het begin van de zomer en de mooiste tijd van het jaar. En als wat de dokter zegt ook uiteindelijk uitkomt, de mooiste tijd van heel wat jaren.
Vanaf nu geen grote slagen meer in het gezicht, zo sprak de dokter, niet zoals bij de vorige sprankels hoop die vrijwel meteen weer werden tenietgedaan.
Alleen maar vooruitkijken, steeds minder bijwerkingen van de medicatie, zo sprak de dokter, nu kan je lichaam vechten en aansterken tegelijk. Het hoeft niet meer elke keer het onderspit te delven, je mag ook al eens winnen nu.
Gaat het echt gebeuren?
Kan ik stilaan aan meer en langere wandeloefeningen beginnen denken?
Zal mijn stokoude rolstoel me nog lang genoeg kunnen dragen, en mag hij binnen enige tijd eindelijk op welverdiende rust?

Goede vooruitzichten en hoop zijn fantastisch, maar eerlijk is eerlijk, ze maken het leven daarom niet altijd gemakkelijker. Ik wil vooruit nu, plannen maken, beginnen voelen dat het allemaal écht is, dat de grote stap voorwaarts is ingezet.
Ik wil nu alles tegelijk, en dat kan natuurlijk niet, maar aan leren dat gevoel inperken heb ik verdomd een hele kluif. Weten dat je situatie, die lang compleet uitzichtloos leek, nu elk moment kan beginnen verbeteren geeft een spanning waar je geen baas over bent.
Het doet dromen.
Van ondernemen, denken, doen, spelen, leven.
Kinderen krijgen, werk vinden waar je je hart in kan verliezen, de reizen maken waar je altijd van droomde.
Grote dromen.
Maar om te beginnen ook hele kleintjes.
Zelf weer naar de winkel gaan, of mijn medicijnen ophalen bij de apotheker om de hoek. Winnen aan zelfstandigheid.
Intussen ben ik drie jaar thuis, drie jaar al waarin ik leef van zo goed als complete afhankelijkheid. Al gedurende die hele periode zit ik opgesloten in mijn eigen huis, als niemand me buiten haalt geraak ik niet weg. En nu er zicht komt op verandering, begint mijn gat te jeuken om op te staan en weer zelf van de buitenwereld te gaan proeven.
Vrienden opzoeken in plaats van altijd bezoek te krijgen.
Wandelen in de Bourgoyen, het prachtige natuurgebied met een ingang recht tegenover ons huis.
Mijn leven weer in handen kunnen nemen zonder voor elke kleine stap hulp te moeten vragen.
Eigenlijk heel gewone, alledaagse dingen.
Dingen waarvan ik even mocht proeven toen ik enkele jaren geleden een betere periode kende. Terug die zelfstandige vrouw zijn, die na het werk boodschappen deed, ging sporten of genoot van een after work drink met man en vrienden.

Ik vraag niet veel hoor.
Gewoon, ‘gewoon’ zijn.
Niet ‘anders’.
Geen speciale plaatsen meer aanvragen voor theatervoorstellingen maar gewoon online tickets bestellen zoals iedereen.
Vloeken omdat je geen parkeerplaats vindt en een kwartier moet wandelen naar je bestemming in plaats van je blauwe parkeerkaart te leggen.
Gezwind bus en trein nemen zonder gedoe, gewoon opstappen en me ergeren aan mijn medereizigers, zoals iedereen.
Geen voorkeursbehandeling meer in musea, maar gewoon urenlang hand in hand aanschuiven, zoals iedereen.
Ik hoef niet de keizerin van China te worden, of toch niet meteen, Annelies kunnen zijn lijkt me voorlopig al meer dan genoeg.

Station Hoop is mooi, maar ik sta te trappelen aan de rand van het perron, ik wil eraf, zo snel mogelijk naar het volgende.
Naar het station van de Toekomst.
Een toekomst die ik zelf kan bouwen, waarin ik mezelf weer kan zijn.
Een toekomst die ik zelf orkestreer in plaats van ze te laten leiden door een lichaam dat niet aanvoelt als het mijne.
Een toekomst waarin ik de kans krijg om weer zelf fouten te maken en dingen tot een goed einde te brengen.
Een actieve toekomst, in elke betekenis van het woord.

Ik zit al twintig jaar op een aftandse trein, ik ben meer dan klaar om over te stappen.
Tsjoeke tsjoeke tuut-tuut, weg zijn wij!

1930487_10208534413375803_1807491363252560974_n