Laat de kinderen tot mij komen

Drie kinderen, dat stond al vast vanaf de eerste kus.
Bas en ik, wij zouden voor drie kinderen gaan.
Twee van ons, een jongen en een meisje als het even kan, en een adoptiekindje om het gezin compleet te maken.

Gek eigenlijk hoe wij, op zo jonge leeftijd, exact dezelfde gezinssituatie als ideaal in ons hoofd hadden.
Moeilijkheden betreffende zwanger worden hadden we uiteraard niet voorzien op dat moment, waarom zouden we ook. Waarom zou je je zorgen maken over dingen die nog compleet niet aan de orde zijn, die op je zestiende zo ver van je bed zijn dat je er zelfs met twee verrekijkers nog geen glimp van kan opvangen.
Die twee kinderen met onze genen, die zouden er wel komen, geen probleem.
Probleemloze zwangerschap, pijnloze bevalling en floeps!
Dat we een adoptiekindje in huis zouden halen was eveneens een certitude.
Noem het zoals je wil, ons gaf het alvast het een goed gevoel een kindje met weinig tot geen kansen te kunnen omarmen en overladen met alle liefde die we te geef hadden.
Zo dachten we er veertien jaar geleden over, toen we pas een koppel waren.
En ondanks alles is aan dat ideaalplaatje nog bitter weinig veranderd.
Ja, in de ideale wereld hadden we al minstens één koter in huis, dat klopt, maar voor de rest bleef alles behoorlijk status quo.

Een tweetal jaar geleden zagen we onze kinderwens in mekaar storten.
Niemand had een antwoord op mijn aandoening en ik ging alleen maar achteruit.
We bereidden ons voor op een heus rouwproces, wij zouden nooit ouders worden want ik zou nooit fysiek in staat zijn om echt mama te zijn.
We waren het er meteen over eens dat we geen kinderen zouden maken om ze zo goed als fulltime door iemand anders te laten opvoeden, dat zou mij zo mogelijk nog zwaarder vallen dan helemaal geen kinderen hebben.
We zouden er moeten mee leren leven, nog maar iets om te accepteren, en een manier vinden om een zo gelukkig mogelijk leven te leiden met z’n tweetjes.
Een gezonde man.
Een zieke vrouw.
Geen kinderen.
Hoe moeilijk ook, we zouden er ons wel doorheen slaan.
Want zolang we samen waren, was geen berg te hoog.
En toen was daar Professor De Meirleir, en een nieuwe ziekte.
Eentje waarvan ik zou genezen dit keer.
Hij hield ons klimgereedschap in bewaring, in de hoop dat we het nooit meer terug zouden komen vragen.
Hij zou me immers beter maken.
Mogelijk goed genoeg om voor kinderen te zorgen.
Onze kinderen.
Bij mijn laatste consultatie kreeg ik te horen dat ik de bacterie niet meer kan doorgeven via mijn immuunsysteem. Dat wil dus zeggen dat ik zonder zorgen zwanger kan worden op het moment dat ik, zo goed als, medicatievrij ben en fysiek sterk genoeg om voor een baby te zorgen.
Al is dat moment nog niet voor morgen, voor mij was dat om één of andere reden toch erg belangrijk om te horen.
Omdat het een stap dichter is bij één van de dingen die deel uitmaken van onze toekomst.
Kinderen.

Ik had het eerder al over kinderen, onder andere hier, en hier, dat weet ik.
Maar die kinderwens is dan ook iets dat heel hard leeft binnen ons klein gezin, iets waarover we het best vaak hebben en waar ik geregeld over nadenk en droom.
De eigenlijke aanzet van deze blogpost kwam er eind maart van dit jaar, tweeduizendzestien. Hannes Coudenys ofte @hannes_bhc, die Bas en ik allebei enthousiast volgen op social media, mocht na vijf lange jaren eindelijk zijn adoptiezoontje Rae Morris ophalen in Guinee.
We zaten al enkele dagen aan Hannes’ Instagram en twitter gekluisterd, soms met pinkend oog bij het zien van al die liefde, toen Bas tijdens het bekijken van een random film op zondagavond vroeg of het eigenlijk niet onze tijd was om de procedure in gang te steken.
De adoptieprocedure.
Terwijl ik bedacht dat het nog niet zo dom was om er stilaan aan te beginnen, Bas zou vijfendertig worden in mei en zo’n traject durft al rap een jaar of vijf duren, kreeg ik een por in mijn zij omdat ik nog niet bezig was met het invullen van het aanmeldingsformulier.
Die avond verliep alles in stroomversnelling.
We lazen diagonaal de website van Kind&Gezin door, downloadden de nodige documenten, printten af, vulden in en plaatsten onze handtekening.
Toen Bas met de gefrankeerde envelop in zijn handen klaar stond om naar buiten te stappen, draaide hij zich om en vroeg “We zijn toch zeker hé?”. Daarop begon ik, beetje raar, heel erg te lachen omdat ik besefte dat we hier al altijd zeker van waren geweest.
Ik nam mijn lieve man in mijn armen, gaf hem duizend kussen, en verzekerde hem van het feit dat deze keuze helemaal de juiste was voor ons.

Wil dat dan zeggen dat we de hoop op eigen kinderen hebben opgegeven?
Helemaal niet.
We willen er nog steeds graag twee van onszelf, een jongen en een meisje als het even kan. En een adoptiekindje om het gezin compleet te maken.

Intussen zijn we alweer enkele maanden verder.
We hebben nu een dossier bij Kind&Gezin, en een nummer.
En de eerste twee infosessies staan gepland voor september en oktober.
De eerste grote stap.
Twee halve dagen waarop we vermoedelijk overrompeld zullen worden met zowat alle mogelijke informatie die je maar over adoptie kan vinden. Wat is binnen -en buitenlandse adoptie, de procedures, prijzen, landen van herkomst, moeilijkheden, valkuilen, wetten en plichten, de hele mikmak.
Daarna krijgen we de tijd om te beslissen of we effectief willen doorgaan of niet. Wat ons betreft is die keuze al redelijk hard gemaakt, maar blijkbaar vallen er na de infosessies toch nog heel wat kandidaten af die het zich vermoedelijk toch allemaal wat rooskleuriger hadden voorgesteld.
Als we kiezen om de procedure effectief op te starten komen we weer op een wachtlijst, dit keer voor de opleiding. Dertig uren, als ik me niet vergis, les over adopteren en opvoeden. Sinds ik het boek “En toen kwam jij” van Tom De Cock las moet ik zeggen dat ik best wel uitkijk naar die periode. Ik besef dat het erg belastend zal zijn allemaal, maar daarnaast lijkt het me vooral uitermate boeiend.
Onze grootste stress is helemaal niet de procedure, de huisbezoeken, de rechtbank of wat dan ook. Dat zien we allemaal wel als het eenmaal zo ver is.
Onze allergrootste stress is gewoon maar mogen starten.

In de allereerste mail stond in grote letters, of waren die letters alleen in onze hoofden zo vetgedrukt, dat beide adoptieouders in goede gezondheid dienen te verkeren.
En dat is natuurlijk niet zo.
Ik ben niet gezond.
Nu toch nog niet.
Maar onze wens om een kindje te adopteren is heel echt en diepgeworteld, en we hopen dat we de kans zullen krijgen om dat te vertellen en te laten zien alvorens terug naar huis gestuurd te worden.
Wij zijn heel realistisch als het op kinderen aankomt, waren we dat niet hadden we er al lang een paar op de wereld gezet. Zonder nadenken over de gevolgen van een mama die haar baby niet kan optillen of troostend in de armen nemen.
Wij willen dolgraag kinderen, maar alleen als we er klaar voor zijn.
Niet in ons hart, want dat zijn we al tijden, maar puur fysiek.
Dat geldt evenzeer voor een eigen -als voor een adoptiekind.
Ik zeg soms dat ons adoptiekindje gerust mag aankomen op de dag dat ik beval van een eigen kind. Dat kan wel tellen als mental picture, niet?
Om maar te zeggen dat de wens voor beiden even intens is.
Dat elk kind in ons gezin welkom zal zijn.
Dat we het in ons hart zullen sluiten en bedelven onder liefde, van waar of op welke manier het dan ook bij ons terecht is gekomen.
We hopen van harte dat we de procedure nu mogen aanvangen, zodat we niet nog van nul moeten beginnen op het moment dat mijn gezondheid het toelaat ook effectief een kind in huis te nemen.
Dat is op dit moment onze allergrootste wens.

“Laat de kinderen tot mij komen. Alle, alle kinderen.”
Dat zei Jezus in een liedje dat ik zong op mijn eerste communie.
Nu, echt allemaal is misschien wat veel van het goede, maar laat ze toch maar komen, die kinderen.

Twee van ons, een jongen en een meisje als het even kan, en een adoptiekindje om het gezin compleet te maken.

IMG_2788

Let’s get MUD

“Hoe graag ik ook verrast word voor mijn verjaardag, dit jaar hoeven jullie geen moeite te doen. Ik weet wat ik wil!”
De vriendinnen trokken grote ogen, ik had nog nooit tips gegeven voor een verjaardagscadeau, omdat ik het verrassingsaspect nu net het leukste vind aan jarig zijn. Maar een week voor mijn aankondiging had ik het licht gezien.

In 2016 zou ik dertig worden, nog een jaar te gaan dus, en ik had mezelf nog nooit geschminkt.
Daar moest verandering in komen.

Niet dat ik ambitie had in het worden van een geplamuurde Barbie, maar ik had wel graag de basis aangeleerd gekregen. Dat ik me bij een trouw -of ander feest tenminste uit de slag kon trekken.
Ze waren best enthousiast, de vriendinnen. Met z’n allen naar de make-up school, een beter cadeau, voor mij én voor hen, konden ze zich niet voorstellen.
Zo gezegd zo gedaan, op mijn speciale dag kreeg ik een cadeaubon voor een workshop Natural Day Look bij Make-up Designory, beter bekend als MUD.
Maar hoe gaat dat met een groep drukbezette vrouwen…
Het duurt maanden voor je een datum vindt waarop iedereen zich tezamen vrij kan maken. In ons geval begon de zoektocht begon in oktober, en op veertien mei was iedereen beschikbaar.
We reserveerden enkele maanden op voorhand en het aftellen kon beginnen.
Ik, als make-up groentje, had totaal geen idee wat te verwachten.
De anderen ook niet, maar die hadden tenminste al eens een borstel in hun handen gehad met een andere doel dan het schilderen van een kamer of het kladderen op een blad papier.
Omdat ik sinds de rolstoel nog zelden in het centrum kom, had ik de MUD-studio in de Brabantdam nog nooit gezien. Of misschien wel, maar aangezien make-up me niet prikkelt was ze me gewoon nooit opgevallen.
Alleszins, ik trad binnen in een cleane ruimte met mooie grote ramen.
De ruime winkel bevond zich vooraan met daarachter, in dezelfde ruimte, een reusachtige spiegel met daarvoor een lange hoge tafel met krukken eraan.
Niki, één van onze twee begeleidsters voor de namiddag, begon met een inleidend woordje en nam daarna een ‘voor’- foto van de groep.
Zonder make-up dus.
Daarna was het aan ons. We vertelden eerst elk om beurt kort of we iets van cosmetische middelen gebruikten en,zo ja, wat, waar en wanneer.
Al snel bleek dat in dit groepje zo goed als niemand dagelijks make-up gebruikt, en niemand zich ooit zwaar opmaakt.
We konden allemaal nog veel leren, dat was duidelijk.

De volgende drieënhalf uur vlogen voorbij.
Beginnen deden we met het aanbrengen van een primer en het uitzoeken welke tint foundation voor elk van ons de juiste was.
Een eerste openbaring…
Ik had gezworen nooit foundation te gebruiken omdat je er dan gaat uitzien alsof ze cement op je gezicht hebben gegoten.
Het blijkt dus ook anders te kunnen?!
De kleur die ik gebruikte leek zo hard op mijn eigen huidkleur dat je nauwelijks kon zien dat ik iets droeg. Mijn huid werd egaler, strakker, maar op een heel natuurlijke, bijna onzichtbare manier.
De werkwijze bleef de hele namiddag dezelfde.
Eén van de begeleidsters nam de helft van ons gezicht onder handen, de andere helft moesten we zelf zien te klaren. Een heel fijne manier van werken omdat je het van heel dichtbij kan zien en de handeling zo ook relatief snel onder de knie krijgt.
Na de eerste, volgde meteen een tweede openbaring: concealer!
Er bestaan twee soorten: de oranje, die blauwe kringen wegfiltert; en de groene, die rode puntjes of vlekken zo goed als onzichtbaar maakt.
Eén van de vriendinnen heeft geen wallen, maar wel blauwe vlekken onder de ogen. Dat was niemand van ons ooit echt opgevallen, maar blijkbaar kreeg ze toch vaak de opmerking er moe uit te zien. En inderdaad, als we erop gingen letten, waren de kringen duidelijk zichtbaar. Het verschil na het aanbrengen van de concealer aan één kant was verbluffend, onze zes monden vielen open van verbazing.
Toen werd ik nog enthousiaster dan ik al was.

Wat make-up allemaal kon doen.
Er ging een heel nieuwe wereld voor mij open.
We noteerden allemaal druk tips, manieren van aanbrengen, juiste kleuren voor ons gezicht, ogen, lippen en bekeken mekaars resultaat van dichtbij.
Een échte vrouwennamiddag werd het, buitengewoon plezant.
Wat ook een ontzettende meevaller werd, was het feit dat tijdens de workshop niet één keer geleurd of aangedrongen werd om producten te kopen. Waar ik het gevoel van opdringerigheid rond het aankopen van materiaal eerder best wel vaak had gehad bij workshops, was daarvan bij MUD geen sprake van.
We kregen zelfs persoonlijk advies als we twijfelden of we bepaalde dingen nu wel of niet zouden meenemen. Zo was ik niet helemaal zeker welke producten ik écht nodig had om een goede basis in huis te hebben, waarop Niki me heel eerlijk hielp zoeken naar de zaken die op mijn gezicht het meest effect hadden en welke ik evengoed, voorlopig, achterwege kon laten.
Uiteraard kocht ik onze rekening leeg, ik had dan ook absoluut niks en wilde natuurlijk kunnen gebruiken wat ik had geleerd, maar alleen omdat ik dat zelf wilde en niet omdat ik me ergens toe verplicht voelde.

Sinds veertien mei oefen ik bijna elke dag.
En ik schep er wonder boven wonder nog plezier in ook.
Soms gebruik ik dit, en dan weer dat in combinatie met dat. De hele mikmak op mijn gezicht smeren, houd ik voor het eerstvolgende trouwfeest.
Nu wil ik vooral de handelingen in de vingers krijgen zodat ik er niet steeds een uur mee kwijt ben.
Ik had het nooit in mezelf gezien, maar ik begrijp nu wel wat er leuk is aan make-up. En dat je er niet per sé hoeft uit te zien als een afgelekte troela als je er gebruik van maakt.
Het is gewoon een manier om je sterke punten te accentueren en de foutjes te maskeren of te corrigeren. Een manier die zo goed als onzichtbaar is als je ze goed uitvoert.
Het maskeren toch.
Van het accentueren zou het best belachelijk zijn als je het niet zou zien.
En zonde van het geld bovendien.
Want goedkoop is het niet. Toch niet als je goede producten wil.
Daarom gaf ik bij MUD met plezier geld uit voor degelijke producten, met goede pigmenten, en niet getest op dieren. 
En aan borstels, met echt mensenhaar, die je niet na twee maanden moet vervangen.
Als ik dan toch investeer, dan liefst in degelijke producten.
Die vijftig euro aankoopkorting die je bij de workshop krijgt, waren dus zéker mooi meegenomen.
Nogmaals, mij zal je nooit elke dag zwaar geschminkt zien rondlopen.
Maar ik gebruik intussen wel al bijna dagelijks mijn concealer en poeder.
En maakte al geregeld mijn ogen wat op als ik ergens heen moest.
En ik ben vooral blij dat ik nu eindelijk wat gerief in huis heb én ook nog weet wat ik ermee aan moet.

Mij zal je niet gauw ergens reclame voor zien maken, maar ik kon het echt niet laten uitgebreid te beschrijven dat ik met deze workshop een schitterende dag cadeau kreeg.
We hebben gelachen, gestaard naar onszelf en elkaar, geleerd, gevraagd en het zotteke uitgehangen. En dat was allemaal meer dan ok.
De begeleidsters pasten zich meteen aan onze groepsdynamiek aan.
Perfect!
Dus wil je dat verdomde make-uppen toch wat beter onder de knie krijgen én een topdag beleven, heb ik maar één tip: trommel je beste vrienden op en…

Let’s get MUD!

13173608_10154782767014186_5149165749223639378_o

Madrid. En meer.

Ik zei hem dat hij te hard werkte, te veel uren klopte en te weinig rust nam.
Dat hij moest gaan beseffen dat hij al maanden slecht sliep omdat zijn zaak hem zo hard bezig hield en dat hij daar dringend een evenwicht in zou moeten gaan zoeken.
Dat een bedrijf leiden niet betekende dat je 365 dagen per jaar aanwezig dient te zijn, dat hij zichzelf af en toe ook rust en vakantie moest gunnen.
En dat hij dat NU zou gaan doen.
Met die woorden plantte ik mijn man streng in de zetel, die donderdagavond, laptop op schoot, alle bestemmingen open. Lang weggaan zouden we niet, want het moest snel, hij zat erdoor.
Een paar dagen, dan is een stad de makkelijkste bestemming.
Hij koos Madrid.
Ik boekte het.
Vier dagen.
Nog drie weken wachten.

Vrijdag achttien maart tweeduizendzestien, luchthaven Charleroi.
Er hangt koffie in onze mondhoeken en de laatste hap van een versteend luchthavenchocoladebroodje is nog niet binnen wanneer een vertraging van onbepaalde duur wordt aangekondigd.
Mist.
Het vliegtuig kan niet landen en staat te wachten in Duitsland tot het opnieuw kan opstijgen.
Pech, maar we laten het niet aan ons hart komen.
We krijgen een voucher om iets te eten en we hebben Fruzsina gespot, de vriendin van een werkgerelateerde vriend van Bas, zij zit hier ook vast dus kunnen we de tijd evengoed samen doden.
Hij vliegt.
De tijd, niet het vliegtuig.
Het is te zeggen, het vliegtuig ook, maar pas een uur of vijf na het oorspronkelijke vertrekuur.
Na wat gedoe met een taxichauffeur die letterlijk geen woord Engels begreep konden we op weg naar onze Air BnB, in het centrum van de stad. De auto stopte in een wat vuile straat, voor een afbladderende deur. In een koffieshop om de hoek haalden we de sleutel op en, de hondenpoep ontwijkend, baanden we ons een weg naar ons logement.
We zijn intussen zo’n twaalf uur op, wat een eeuwigheid is voor mij, en ik ben kapot. Ik zou geld geven om een paar uur te kunnen slapen, maar we besluiten toch ons gerief te droppen en meteen weer te vetrekken voor een korte wandeling en aansluitend diner, anders komen we van de hele avond niet meer buiten.
Maar eerst dus die valiezen droppen.
In een kamer die in niks gelijkt op de foto’s die we online zagen. Of ja, de meubels zien er iets of wat hetzelfde uit, maar werden overduidelijk getrokken met een groothoeklens en dertig felle lampen in de ruimte. Het appartement is piepklein en heeft geen raam naar buiten.
Ik lieg, er is een raam dat uitkijkt op een koer van één op één meter en zes meter hoog is, qua uitzicht kan dat tellen. Maar bon, we zijn geen moeilijke mensen en je gaat niet op citytrip om op je kamer te zitten, dus gaan we meteen weer op pad.
Op het vliegtuig kregen we van een Madrileense nog trots te horen dat het in Madrid nooit regent.
Behalve nu dan.
Blijkbaar.
We gebruiken onze gids en gaan op zoek naar een degelijke tapasbar. Ik vervloek mijn antibiotica als ik Bas zijn tweede cocktail zie bestellen en laaf me aan mijn alcoholvrije mojito. De tapas gaan vlot binnen, al kostte het best wat moeite om door te gaan nadat we in ons bord gegrilde inktvis een schaamhaar terugvonden.
Ja precies, een schaamhaar.
Kon ik springen en huppelen, ik was springend en huppelend naar buiten gelopen.
Maar we laten ons niet kisten door een donker krullend haartje en eten ons moedig door de volgende borden, die best lekker smaken.

Dag twee begint eerder in mineur.
Ik sliep niet.
Niks.
Slecht bed, veel pijn.
Bas sliep niet.
Of toch weinig.
Slecht bed, veel lawaai.
Een verkwikkende douche moet soelaas brengen en ervoor zorgen dat we door de smerige staat van ons logement door kunnen kijken. Er ligt overal stof, we plakken aan de vloer en er staat niet één glas in de kast waar ik voor al het geld ter wereld mijn lippen aan wil zetten.
Ik was me en schep nog op tegen Bas over het relatief degelijke karakter van de waterstraal. In de badkamer moet je alleen maar de muffe schimmelgeur wegdenken, dat moet lukken.
Helaas leert een vloekende Bas even later dat vijf minuten douchen het einde van warm water voor dag twee betekent.
We hebben het gehad.
Ik kan er nog enigszins mee lachen, al lijken nog twee nachten in dit bed geen al te beste beslissing als we ook nog effectief iets van Madrid willen zien, maar Bas’ hele lichaam staat op donderwolk.
Je kan het hem moeilijk kwalijk nemen, we zijn een jaar niet weggeweest, we hebben maar vier dagen, de jongen is helemaal overwerkt en heeft zichzelf nu eindelijk een paar dagen vrij gegeven, en dan kom je, nog steeds ruikend naar een vliegtuig, terecht in een kruipkot waar je je niet eens deftig kan wassen.
Ik besluit dat we een hotel boeken, op deze manier zal er immers weinig gerelaxt worden, dan kunnen we evengoed terug naar huis gaan. Een hotel dus.
Vier sterren, beetje luxe mag wel, als je de dag zelf boekt krijg je toch fameuze kortingen.
Beste beslissing van het jaar, blijkt even later.
Mijn liefste kan weer breed lachen.
We hebben een douche, mét warm water!
En een balkon, mét zon!
Vandaag is een goeie dag, en hij wordt alleen maar beter.
De zon schijnt de hele dag, behalve dan een halfuurtje op het moment dat wij volop aan het lunchen zijn in een steengoed restaurant.
Alles klopt.
Alles.
We glunderen.
We ontdekken de gezellige kleine straatjes van de volks -en homobuurt Chueca, shoppen in de gezellige boetiekjes die we her en der tegenkomen, eten een ijsje en babbelen en lachen erop los.
Madrid geeft best een goede vibe, nu het weer wat meezit.
Het valt ons wel op dat ze hier niet zot zijn van toeristen, en dat laten ze ook vaak merken. Mensen zijn ofwel ontzettend vriendenlijk, ofwel ronduit boertig. En dat is even schrikken soms.
Voor de rest is de stad, naar onze bescheiden mening na die paar dagen, jong, best hip hier en daar, volks, gezellig, maar vuil. Het voelt vuil, dat gevoel hebben we allebei.
Ligt het enkel aan het feit dat er bij ons nog nauwelijks hondenpoep op straat ligt en ze er hier duidelijk minder streng op zijn, of is er meer. Ik heb er niet echt een antwoord op.
Maar we deelden alleszins dezelfde mening.
Ook zondag was een goeie dag, met eindeloos genieten van een fijne stad én mekaar, onze laatste avond afsluitend in een meer dan degelijk sushi-restaurant.

Maandagmorgen werd ik gewekt door het wel erg hevig aanslaan van de toetsen van een keyboard. Op twitter had iemand Bas attent gemaakt op het feit dat er werd gestaakt door de luchtleiders in Frankrijk. En ja hoor, onze vlucht was gecanceld. We zouden vandaag niet thuis geraken.
Samen probeerden we een vlucht vast te krijgen voor dinsdag, wat niet gemakkelijk was aangezien iedereen die maandag over Frankrijk zou moeten vliegen nu op zoek was naar een nieuwe manier om thuis te geraken.
Na veel gedoe met een VISA-kaart, waarmee je blijkbaar niet meer kan betalen zonder dat verdomde bakje van de bank, kregen we, met de financiële hulp van ons aller Bram, een vlucht vast voor woensdagavond.
Dat betekende dus twee volledige extra dagen Madrid.
Bas moest even aan zijn humeur werken. Die kon alleen denken aan zijn bedrijf, de meetings van de komende dagen die door collega’s zouden moeten opgevangen worden en strakke deadlines die in het gedrang dreigden te komen.
Dat begreep ik natuurlijk allemaal, maar we konden nu eenmaal weinig aan de situatie veranderen en konden er dan beter het beste van maken en proberen genieten van de extra tijd die ons gegeven was.

Die positieve houding was echter buiten dinsdag gerekend, die noodlottige dinsdag tweeëntwintig maart, de dag dat de wereld op onze kop viel.
Bas was vroeg wakker geworden en wekte me van zodra hij de eerste nieuwsberichten over de aanslag op de luchthaven van Zaventem ontving. Vanaf dat moment staarden we allebei compleet verbouwereerd en met open mond zo’n drie uur onafgebroken naar het scherm van de laptop.
Wat was dit…
In de loop van de namiddag maakten we ons sterk dat het ons goed zou doen even een wandeling te maken, maar van een groot succes kun je wat dat betreft amper spreken.
Er is op zo’n dag nu eenmaal maar één onderwerp waarover je kan praten, waarover het gerechtvaardigd voelt dat je praat zelfs.
We vonden onszelf onmiddellijk verwend omdat we gisteren nog zo gezeurd hadden over de staking boven Frankrijk, en over de vluchten die maar niet geboekt raakten. Dat was plots allemaal immens futiel geworden.
We zouden wel eens thuis geraken, wanneer, dat zagen we wel.
We leefden.
En we waren samen.

Uiteindelijk werd het donderdagavond voor we Gent terugzagen, drie dagen later dan gepland.
De laatste dagen Madrid werden we een beetje geleefd, we ‘deden ze uit’ als het ware.
Bas werkte, ik las en sliep veel.De extra dagen en de spanning van de gebeurtenissen hadden mijn lichaam geen goed gedaan.
Af en toe maakten we een wandeling of gingen samen uiteten, maar aan lachen kwamen we nog nauwelijks toe.
Het was ook allemaal zo onwezenlijk.
We bleven de berichten ook op de voet volgen. De lockdown van Brussel en later van het hele land, de achtergebleven bommen en de zoektocht naar de man met het hoedje.
Van vakantie kan je in deze context echt niet meer spreken, je wil gewoon thuis zijn op zo’n moment. Hoe raar het ook klinkt, bij ingrijpende gebeurtenissen wil ik altijd aanwezig zijn, ik wil echt voelen hoe het binnenkomt, wat dat doet met mezelf en de mensen rondom mij.
Bas is net zo, daar vinden we mekaar dan ook meteen.
Misschien een rare vergelijking, maar toen Luc De Vos, hét Gentse icoon, overleed, waren wij juist op weekend in Antwerpen met vrienden. Waren we met z’n tweetjes geweest hadden we meer dan waarschijnlijk meteen de auto terug naar Gent genomen.
Om het ‘mee te maken’.
Wij zijn geen ramptoeristen, absoluut niet, maar bepaalde gebeurtenissen doen iets met mensen en plaatsen waar je op dat moment gewoon deel van wil uitmaken, middenin wil zitten.
Ik vrees dat ik het onmogelijk beter uitgelegd krijg dan dit.

Het minste wat je kan zeggen is dat ons eerste reisje in twaalf maanden er eentje van het bewogen type is geworden.
Niet écht wat we op dat moment nodig hadden, zeg maar.
Bas keerde meer gestrest terug dan hij vertrok en ik keek op naar twee weken volledige platte rust ter recuperatie.
Maar erger dan dat alles was het feit dat we weer een stukje illusie armer waren geworden.

Mensen maken mekaar kapot om gelijk welke reden, op de wreedste manieren eerst.
Ik begrijp dat niet.
Hoe kom je zover dat je denkt dat mensen massaal de dood injagen de beste, en een te rechtvaardigen, manier is om je ideeën aan de buitenwereld te verkondigen.
Dat gaat er bij mij niet in.
En misschien maar goed ook.
Als je zulke dingen begint te begrijpen ben je volgens mij al best ver heen.
Laat me dus maar dom blijven.
Laat me even geschokt zijn, en blijven, telkenmale dergelijke zaken in het nieuws komen. In Frankrijk, hier, maar ook in de rest van de wereld.
Laat me met open ogen en mond blijven versteld staan, en de tranen voelen prikken, van wat mensen mekander kunnen aandoen in de naam van religie, politiek of wat dan ook.
Ik begrijp het niet en ik wil het niet begrijpen.
Maar laat me alsjeblieft zo naïef zijn te geloven dat het ooit allemaal weer beter wordt, dat het anders kan, dat er een manier bestaat waarop we allemaal samen kunnen leven.
Zonder conflicten die zo fel escaleren dat mensen mekander de kop in willen slaan.
Ik wil dat geloven, tegen beter weten in misschien.
Maar ik wil dat blijven geloven.

Dat onze wereld het nu moeilijk heeft, maar dat het tijdelijk is, dat er beterschap op komst is en dat wij die nog gaan meemaken.
Dat ik met een gerust hart kinderen op de wereld kan zetten en ze, na een lang en heerlijk leven, met een gerust hart kan achterlaten op deze aardbol.
Omdat ik weet dat het er veilig en gezond leven is.
En dat de wereld niet om zeep is, maar herboren.

Aan welk station zitten we nu eigenlijk?

Bijna wekelijks krijg ik warme berichten, via allerhande kanalen.
Mensen die bezorgd zijn, benieuwd zijn, of gewoon lief zijn, sturen me briefjes met troostende woorden, mails vol steun en liefde en kaartjes met opbeurende tekeningen op de voorkant.
Maar ik krijg ook regelmatig vragen van lotgenoten, en verzoeken om meer informatie over mijn gezondheidstoestand.
Ik merk dat heel veel mensen, of ik ze nu ken of niet, oprecht nieuwsgierig zijn naar mijn toestand en vooruitgang, en ik houd jullie dan ook met veel plezier op de hoogte.
Het was lange tijd erg moeilijk om te schrijven, en dat is het nog steeds, mijn vingers willen vaak niet lang genoeg mee om een volledige blogpost rond te krijgen en mijn concentratievermogen is wispelturiger dan het humeur van de gemiddelde puber, maar ik probeer stukje bij beetje toch een soort van update-bericht op poten te zetten om al die lieve boodschappers op de hoogte te brengen van de huidige status.

De laatste maanden waren erg zwaar, het laatste anderhalf jaar eigenlijk, sinds ik met de behandeling tegen de ziekte van Lyme begon. Elke nieuwe antibioticakuur heeft zijn punt waarop ik even breek. Soms maar een beetje, soms helemaal tot er niks meer overblijft om te bewegen, te slapen, te eten, te leven.
Zo belandde ik op kerstavond-dag in het ziekenhuis voor een extra dosis ketamine, omdat ik de hele dag huilde van de pijn en niks meer kon bewegen. De pijn letterlijk niet meer aankunnen, het bestaat.
Maar ook dat gaat weer over.
Intussen kan ik weer vechten, en voel ik weer die minieme vooruitgang die ik eind vorig jaar ook al dacht te herkennen. Over grenzen gaan en de recuperatietijd stukje bij beetje zien inkorten, een bijna onzichtbaar maar toch duidelijk herkenbaar verschijnsel. Ik word er zowaar weemoedig van.
Is dit het nu?
Het begin van de vooruitgang?
Professor De Meirleir is geen ‘mensenman’, voor hem tellen bloedwaarden en onderzoeksresultaten. En toch kreeg ik bij mijn laatste afspraak te horen dat hij verwacht dat ik tegen juni van dit jaar de eerste echte duidelijk verbetering mag verwachten. Hij is er de man niet naar loze beloften te maken, of patiënten ‘zomaar’ een goed gevoel te geven, en dat maakt dat deze uitspraak maar blijft nazinderen.
Juni, dat is wat ze ‘binnen afzienbare tijd’ noemen.
Het begin van de zomer en de mooiste tijd van het jaar. En als wat de dokter zegt ook uiteindelijk uitkomt, de mooiste tijd van heel wat jaren.
Vanaf nu geen grote slagen meer in het gezicht, zo sprak de dokter, niet zoals bij de vorige sprankels hoop die vrijwel meteen weer werden tenietgedaan.
Alleen maar vooruitkijken, steeds minder bijwerkingen van de medicatie, zo sprak de dokter, nu kan je lichaam vechten en aansterken tegelijk. Het hoeft niet meer elke keer het onderspit te delven, je mag ook al eens winnen nu.
Gaat het echt gebeuren?
Kan ik stilaan aan meer en langere wandeloefeningen beginnen denken?
Zal mijn stokoude rolstoel me nog lang genoeg kunnen dragen, en mag hij binnen enige tijd eindelijk op welverdiende rust?

Goede vooruitzichten en hoop zijn fantastisch, maar eerlijk is eerlijk, ze maken het leven daarom niet altijd gemakkelijker. Ik wil vooruit nu, plannen maken, beginnen voelen dat het allemaal écht is, dat de grote stap voorwaarts is ingezet.
Ik wil nu alles tegelijk, en dat kan natuurlijk niet, maar aan leren dat gevoel inperken heb ik verdomd een hele kluif. Weten dat je situatie, die lang compleet uitzichtloos leek, nu elk moment kan beginnen verbeteren geeft een spanning waar je geen baas over bent.
Het doet dromen.
Van ondernemen, denken, doen, spelen, leven.
Kinderen krijgen, werk vinden waar je je hart in kan verliezen, de reizen maken waar je altijd van droomde.
Grote dromen.
Maar om te beginnen ook hele kleintjes.
Zelf weer naar de winkel gaan, of mijn medicijnen ophalen bij de apotheker om de hoek. Winnen aan zelfstandigheid.
Intussen ben ik drie jaar thuis, drie jaar al waarin ik leef van zo goed als complete afhankelijkheid. Al gedurende die hele periode zit ik opgesloten in mijn eigen huis, als niemand me buiten haalt geraak ik niet weg. En nu er zicht komt op verandering, begint mijn gat te jeuken om op te staan en weer zelf van de buitenwereld te gaan proeven.
Vrienden opzoeken in plaats van altijd bezoek te krijgen.
Wandelen in de Bourgoyen, het prachtige natuurgebied met een ingang recht tegenover ons huis.
Mijn leven weer in handen kunnen nemen zonder voor elke kleine stap hulp te moeten vragen.
Eigenlijk heel gewone, alledaagse dingen.
Dingen waarvan ik even mocht proeven toen ik enkele jaren geleden een betere periode kende. Terug die zelfstandige vrouw zijn, die na het werk boodschappen deed, ging sporten of genoot van een after work drink met man en vrienden.

Ik vraag niet veel hoor.
Gewoon, ‘gewoon’ zijn.
Niet ‘anders’.
Geen speciale plaatsen meer aanvragen voor theatervoorstellingen maar gewoon online tickets bestellen zoals iedereen.
Vloeken omdat je geen parkeerplaats vindt en een kwartier moet wandelen naar je bestemming in plaats van je blauwe parkeerkaart te leggen.
Gezwind bus en trein nemen zonder gedoe, gewoon opstappen en me ergeren aan mijn medereizigers, zoals iedereen.
Geen voorkeursbehandeling meer in musea, maar gewoon urenlang hand in hand aanschuiven, zoals iedereen.
Ik hoef niet de keizerin van China te worden, of toch niet meteen, Annelies kunnen zijn lijkt me voorlopig al meer dan genoeg.

Station Hoop is mooi, maar ik sta te trappelen aan de rand van het perron, ik wil eraf, zo snel mogelijk naar het volgende.
Naar het station van de Toekomst.
Een toekomst die ik zelf kan bouwen, waarin ik mezelf weer kan zijn.
Een toekomst die ik zelf orkestreer in plaats van ze te laten leiden door een lichaam dat niet aanvoelt als het mijne.
Een toekomst waarin ik de kans krijg om weer zelf fouten te maken en dingen tot een goed einde te brengen.
Een actieve toekomst, in elke betekenis van het woord.

Ik zit al twintig jaar op een aftandse trein, ik ben meer dan klaar om over te stappen.
Tsjoeke tsjoeke tuut-tuut, weg zijn wij!

1930487_10208534413375803_1807491363252560974_n

Saga van een Crazy Cat Lady

Het voorbije weekend postte Eva Mouton, Gents multitalent, het volgende op haar Facebookpagina:

Vanmorgen heeft Bert Saga gevonden in de cité om de hoek. Onze lieve, mooie, avontuurlijke poes is dood. We zijn er zo het hart van in.

Massa’s mensen reageerden.
Met ongeloof, verdriet, medeleven en de meest pakkende steunbetuiging die ze konden vinden of verzinnen.
Saga was een beetje de kat van alleman, het voelde aan alsof je haar echt kende. Door Eva’s verhaaltjes in De Standaard, via een statusupdate op Facebook, of van foto’s op Instagram en twitter.

Ikzelf was een paar dagen compleet van de kaart.
Heel plots, tijdens die dagen, kon het idee dat Saga er niet meer was me overvallen. En in een flits veranderde mijn hoofd Saga in onze eigen katten, Onze Kevin of Dieander.
Ik wist al langer dat ik heel veel om die beestjes gaf, maar een gebeurtenis als deze legt het er wel erg dik op.
Ik kan me echt niet voorstellen wat ik zou doen als één van onze poezen plots stopte met deel uitmaken van ons gezin. Want dat zijn ze echt, een wezenlijk onderdeel van ‘ons’.

Deze zomer is Onze Kevin drie jaar bij ons, Dieander intussen ook al twee.
Het klinkt allemaal enorm belachelijk, dat besef ik terdege, maar die twee kleine bollen pluis hebben ons leven veranderd.
Beter gemaakt, op een manier.
Maar wat is dat toch, dat wat dieren in mensen losmaken?

Ik sta machteloos ten opzichte van mijn katten omdat ik zoveel liefde voor hen voel. En hoe dom is dat, als je het vanop afstand bekijkt.
Ik bedoel, het zijn katten, dieren die gekend staan om het hebben van slechts één emotie zijnde “ik heb honger, geef mij eten”. Katten zouden geen liefde geven, maar er enkel naar trachten hun eigen noden zo goed mogelijk te vervullen.

In theorie kan dat allemaal wel zo zijn, maar ik kies ervoor het toch niet zomaar aan te nemen.
Ik probeer hier niet naïef te zijn, al was die missie misschien al verloren van zodra het idee opkwam iets over katten te schrijven, maar waarom voelt het dan allemaal zo anders aan als je zelf een kat hebt en dat beestje aandacht geeft?
Waarom valt het ook anderen op dat Onze Kevin veel dichter bij mij in de buurt blijft als het een dag echt heel slecht met me gaat. Als anderen dat ook opmerken kan het toch niet zijn dat ik het mezelf wijsmaak omdat ik het graag zo zou hebben?
Of wel?
En waarom voelt het alsof ik Dieanders ingewikkelde karaktertje toch meer en meer lijk te kunnen ontwarren naarmate ik er meer tijd en energie in steek?

Weet je, eigenlijk kan het me enorm weinig schelen wat er nu wel of niet ‘waar’ of proefondervindelijk bewezen is.
Ik hou ervan om mijn katten te bemoederen als waren ze mijn eigen vlees en bloed.
En ik vind het niet minder dan heerlijk om mezelf ervan te overtuigen dat ik een band heb met mijn ‘kindertjes’ waar niemand ooit nog tussen komt.
Overdreven? Wie bepaalt dat?

Als ik me graag blauw betaal aan de beste voeding voor het gevoelige maagje van Onze Kevin, who cares?
Oké, Bas misschien een beetje, maar die is al net zo erg als ik.
En dat ze af en toe eens een nieuw speeltje krijgen?
Waarom zouden zij het moeten doen met een kapot gebeten speelgoedmuis terwijl wij onszelf wel continu spiksplinternieuwe afleiding permitteren?
Als ik onze kat was en ik moest te lang met hetzelfde prul spelen, ik piste meteen die Millennium Falcon van LEGO vol waar iedereen die binnenkomt vol bewondering naar moet staan kijken.
Kijken, niet aankomen uiteraard, want “DAT IS GEEN SPEELGOED!”.

Onze katten gaan graag eens buiten.
Spelen, op avontuur, ontdekken wat er rond ons huis te beleven valt.
Ik vind dat niet erg, ze zijn relatief beschermd in onze buurt, maar toch maakt mijn hart nog elke keer een sprongetje als ze weer, elk op hun eigen manier, vragen of ze terug naar binnen mogen.
Kevin staat gewoon stokstijf voor het raam op een plek waar hij denkt dat we hem kunnen zien van waar we op dat moment zijn. Duurt het te lang dan schuift hij een paar meter op en gaat daar weer een tijdje wachten. Tot één van ons zijn kopje ziet en het raam voor hem opent.
Dieander pakt het enigszins anders aan.
Zij springt op haar achterste poten en tikt met haar voorste twee tegen het raam terwijl ze een luid piepend geluid voortbrengt. Zo danst ze een beetje heen en weer en zorgt ervoor dat mijn schuifraam nooit proper is of zal zijn.
Het zij zo.
Een vuil raam is ook een raam.

Al bij al denk ik wel dat onze poezen bij ons, of moet ik zeggen bij mij, passen.
In die zin dat ik als de dood ben om ze ooit kwijt te geraken, en dat zij zich best comfortabel lijken te voelen in een leven met eerder beperkte vrijheid. Onze Kevin heeft zijn buitenspeeltijd nodig, en die krijgt hij ook, maar hij blijft nooit lang weg. In de zomer, als het warm genoeg is om het schuifraam open te laten, loopt hij soms hele dagen in en uit. Maar echt uren en uren wegblijven heeft hij eigenlijk nog nooit gedaan.
Dieander is een eerder luie kat, dat heeft ze van de papa.
Laat je haar buiten, allemaal goed
Laat je haar niet buiten, even goed.
Laat je haar buiten en het staat haar daar niet aan, ligt ze na twee minuten terug helemaal opgekruld in haar zetel.
Behalve dan die ene keer dat ze niet terug kwam.

Vorig jaar, het moet april of mei geweest zijn, denk ik.
Bas was op weekend dus ik zat alleen thuis.
Zaterdagavond, zo rond een uur of zeven, liet ik de poezen nog een laatste keer buiten. Kevin stond er na een goed halfuur terug.
Vaak komen onze katten samen terug naar huis, maar dit keer dus niet.
De eerste, nog voorzichtige, ongerustheid stak de kop op na een uur of twee, drie wachten. Dat is best snel, maar men kent zijn katten en Dieander bleef, en blijft nog steeds, nooit zo lang aan één stuk buiten.
De nacht viel, net als de tranen uit mijn ogen.
Ik haalde alle fleece dekens uit de kast en installeerde me op de zetel, met Onze Kevin dicht tegen me aan. Het zal wel weer aan mij liggen, maar het viel me op dat ook hij niet helemaal in zijn gewone doen was. Hij trippelde de hele avond zenuwachtig over en weer en stopte elke vijf minuten aan het raam waar hij een tijdje bleef staan kijken. De nacht vorderde en ik verkeerde continu in een halfslaap met verhoogde waakzaamheid.
Maar geen teken van Dieander.
Zondag plakte zich naadloos aan de voorbije nacht vast, ik lag doodmoe -en ongerust op de zetel. Met dat verschil dat ik nu elke uur vijf minuten naar het terras verhuisde om mijn keel schor te schreeuwen. Ik verfoeide mezelf dat ik haar nog buiten had gelaten terwijl de zon bijna onder was, en mijn ziekte die ervoor zorgde dat ik niet gewoon even naar buiten kon gaan om mijn kleine schat te zoeken.
Ze zou toch nooit zomaar wegblijven?
Ze was toch graag bij ons?
Die machteloosheid, om zot van te worden.
Datzelfde moment voelde ik me ook écht stom, want hoeveel poezen blijven er niet eens een nachtje weg?
Maar toch, we hadden het hier wel over Dieander en die doet dat niet, want dat is een brave.
Bas had zijn auto nog niet goed en wel geparkeerd of ik viel hem huilend in de armen. Hoewel hij de “Maar liefje dat is toch niet abnormaal dat een kat eens wat langer wegblijft” -kaart trok, zag ik in zijn ogen dat ook hij er niet helemaal gerust in was.
Nadat hij, met een stem die een stuk zwaarder is en veel verder draagt dan de mijne, twee keer “Dieander” riep, hoorden we allebei een schril, angstig gepiep als reactie. Bas liep meteen de deur uit en kwam even later terug met een doodsbange poes.
En opengekrabde armen, eerlijk is eerlijk, er zijn ook minder fraaie kanten aan het poezenouder -zijn.
Onze kleine avonturier moet ergens vastgezeten hebben en geraakte daarna de muur naar ons terras niet meer op, vermoeden we.
Zelden iemand zo euforisch geweten als ik toen.
Mijn meiske.

Ocharme.

In eerste instantie was het nochtans niet zo eenvoudig om van haar te leren houden, Dieander heeft een heel speciaal karakter.
Onze Kevin kwam met een handleiding van twee regels: “Ik ben overal bang voor en ik knuffel graag.” Dat is gemakkelijk, een kat die steeds exact doet wat je verwacht dat ie zal doen.
Of toch bij mij.
Al kan dat volgens sommigen helemaal niet omdat katten niet persoonsgericht zijn, maar bon, ik kan met Kevin alleszins lezen en schrijven.

Dieander is anders, maar wat verwacht je ook met zo’n naam.
Wie verzint zoiets?!

Meer op zichzelf.
Avontuurlijk, maar lui.
Wil overal bij zijn maar kiest zelf hoe ver je kan gaan.
Vraagt aandacht maar slechts tot op een bepaalde hoogte.
Als we met z’n viertjes in bed liggen is het Dieander die onder de dekens kruipt en zich in mijn armen nestelt om luid ronkend te liggen spinnen. Maar probeer haar te strelen op een moment dat ze er geen zin in heeft en ze plooit zich in alle mogelijke bochten om te voorkomen dat je haar heerlijk zachte vacht kan aanraken.
Ik heb het gevoel dat ik haar nu pas écht graag begin te zien.
In het begin was ze superschattig, en ze is altijd bloedmooi geweest, maar aan haar uit geraken is een ander paar mouwen, en dat bleek soms vervelend. Het heeft wat tijd gekost om dat speciaaltje in al haar vormen te omarmen.
Niet dat ik er een moment spijt van heb gehad, van de keuze voor een tweede kat. Alles liep van begin af aan eigenlijk ook op rozen omdat onze poezen gek zijn op elkaar, maar misschien hadden we stilletjes gehoopt op een échte knuffelkat.
En dat is ze niet.
Maar nu vind ik het fijn om haar een beetje uit te dagen.
Ik speel met haar op haar manier, trek rare gezichten als ze op de badrand balanceert terwijl ik in bad zit en we miauwen tegen mekaar op.
Heerlijk.
Een totaal andere kat dan Onze Kevin, helemaal zichzelf, helemaal perfect.
Dat ze bij ons gelukkig en waardig oud mogen worden.

 

Lieve Saga, deze was speciaal voor jou.
Veel spin, -speel, -en ontdekkingsreisplezier in de poezenhemel, je gaat dat daar ongetwijfeld schitterend doen.

Maar we gaan je hier missen…

En Eva, onze poezen zijn ook een beetje publiek bezit, dus laaf je gerust aan hun zottigheden als je Saga mist. Onze deur staat altijd voor je open!
(allé, niet letterlijk, anders lopen de poezen weg)

 

 

Gentse Feesten- gefeest

Je hebt twee groepen Gentenaars.
Eentje die onvoorwaardelijk van de Feesten houdt, en eentje die er elk jaar zo ver mogelijk van weg vlucht.
Ik behoor tot de eerste groep.

Ik adoreer de Gentse Feesten.
Voor mij zijn ze het toppunt van eerlijk en heerlijk vertier.
Ik hou van de sfeer, van de talrijke eetkraampjes die ik liefst van al allemaal een keer zou willen uitproberen, van de muziek, van het feit dat je fijne optredens kan bekijken zonder dat het je een cent hoeft te kosten.
Ik ben fier dat ik Gentenaar ben, en dat de Gentse Feesten dan ook een beetje ‘Mijn Feesten’ zijn. Dat mensen van heinde en verre komen om deel uit te maken van onze manier van volksvertier, dat is toch iets om trots op te zijn?
Ik ben dan ook één van die mensen die heel kwaad kijkt naar mensen die hun drank in de nachtwinkel kopen omdat dat goedkoper is.
Tien dagen gratis feesten, vierentwintig uur per dag als je wil, dan is het minste wat je kan doen toch wel je pinten aan de toog kopen, niet?
Soit, voor mij ademen de Feesten gezelligheid.
Een hele dag door de stad kuieren, beetje straatartiesten aan het werk zien, de ene al wat beter dan de andere, uitrusten op een bankje in het Baudelopark of er een dansinitiatie meepikken. Overal in de stad kan je voorstellingen bijwonen, soms gratis soms ook niet, en proeven van het echte Gent.
What’s not to like?

Elk jaar kijk ik ook halsreikend uit naar wat cirQ doet, een zot theatercolletief dat niks anders dan belachelijk leuke dingen doet. Op de Gentse Feesten is dat al een heel aantal jaren een Bata-iets. Zo passeerden bijvoorbeeld Batakamp, Bataclan en BataBata, elk met hun eigen kleur, sfeer en regels.
Een greep uit de genialiteit van Bata zijn het verplicht dragen van witte sportsokken, een totaal rookverbod behalve op bepaalde momenten, de Chatroulette, altijd op een rechte lijn lopen, de befaamde ‘ten seconds of techno’, kinderen voederen in hun ‘cel’ of het hele plein een kwartdraai draaien. Het geheel wordt steeds aan mekaar gepraat door een bekende of minder bekende komiek.
Dit jaar was een jubileumjaar, cirQ haalde al zijn topconcepten van de voorbije Bata- jaren boven en maakte er een groot ‘Rad van fortuin’ mee. Om de zoveel tijd draaide Gunter Lamoot, die dit jaar de presentatie zo goed als helemaal alleen op zich nam, aan dat rad en waar die stopte moest het publiek de ‘opdracht’ uitvoeren.
En het publiek doet dat.
Ongelooflijk vind ik dat, elke jaar opnieuw. Vraag de zotste dingen, de mensen doen het gewoon. Er hangt zo’n sfeer die ervoor zorgt dat alles kan en alles mag. Heerlijk gewoon.
Zotte dansjes, belachelijke spelletjes, compleet van de pot gerukte ‘tentoonstellingen’ en dat alles overgoten met een overdreven politiek incorrect sausje.
Zo incorrect dat je niet anders kan dan ermee lachen.
Ik zit in een rolstoel en dat is gevaarlijk bij cirQ, want alles wat anders of een beetje speciaal aan je is moet je bekopen. Een handicap, een extravagant kapsel, een andere huidskleur. Of ze lachen je uit of je wordt net overdreven in de watten gelegd.
Zo regende het enkele jaren geleden ontzettend hard toen we iets zaten te drinken. En als uit het niets haalden enkele medewerkers van cirQ een partytent om ervoor te zorgen dat ik toch zeker niet in contact zou komen met een druppel water. Leuk detail is wel dat die tent eerst een andere groep mensen tegen de regen beschermde maar ja, die zaten niet in een rolstoel.
Pech gehad.
Dit jaar passeerden Bas en ik een keer of drie, vier langs de Willem de Beersteeg voor een avondje vertier. Tijdens onze aanwezigheid stopte de wijzer van het Rad meer dan eens bij de ‘Monidans’, die we nog kenden van vorig jaar toen het plein eigendom was van de Familie Vandevelde. We waren vorig jaar al ontzettend enthousiast over de gezamenlijke kampdans en dus heel blij toen die dit jaar weer op het menu bleek te staan.
Alleen jammer dat ik net geopereerd was…
Een van de laatste dagen van de Gentse Feesten moest mijn port-à-cath eruit. Geen gigantische ingreep maar het blijft een operatie, met opensnijden en achteraf dichtnaaien en zo van die dingen.
En dat had ik dus wat onderschat.
Ik voelde weinig na de operatie, dus ging ik er ook mijn laatste dagen Gentse Feesten niet door laten verpesten. De dag van de operatie zelf al overtuigde ik Bas dat het best wel zou lukken om nog even langs cirQ te gaan.
Samen met een bomvol plein danste ik dan ook volop mee met de ‘Monidans’ en de ‘ten seconds of techno’, het is niet omdat ik in een rolstoel zit dat mijn armen niet meer kunnen zwieren, weet je wel?
Alleen had ik dat hevig armenzwaaien beter nog even achterwege gelaten, dan zou mijn wonde niet weer lichtjes open zijn gegaan.
En zou mijn litteken onderhand waarschijnlijk al wél genezen zijn.
Bedankt dus cirQ, voor een aandenken aan jullie en de Monidans in de vorm van een litteken dat waarschijnlijk nooit meer zal vervagen.
Bedankt.

Voor mij is er, naast mijn enorme liefde voor de Feesten, echter ook een keerzijde aan de medaille.
Er is namelijk ook een groot deel dat ik moet missen.
Zeg ‘Gentse Feesten’ en er roept vast wel iemand ‘Vlasmarkt!’ terug.
En die Vlasmarkt heb ik al in jaren niet meer gezien, en dat vind ik jammer.
Ja, het is maar wat dansen en zat worden en leuteren tegen compleet onbekenden, dat klopt, maar het hoort er wel bij.
En ik mis het.
Zeker niet alleen dat hoor, maar het maakt wel deel uit van het feit dat ik zowel heel erg uitkijk naar de Feesten als er tegenop zie en blij ben dat ze na tien dagen weer voorbij zijn.
Wat dat gemis niet gemakkelijker maakt is getrouwd zijn met een man als de mijne.
Bas is een varken tijdens de Gentse Feesten.
Niet beseffende dat een man van vierendertig niet meer zo snel recupereert als een kerel van eenentwintig, geeft hij zich elke mogelijke avond helemaal over aan de baldadigheden van de Vlasmarkt. Niet zelden kruis ik hem ‘s morgens straalbezopen op de trap als ik, tegen de middag, ben opgestaan en aan mijn dag wil beginnen.
Allemaal heel lief en schattig voor een keer of twee (als je niet begrijpt hoe straalbezopen lief en schattig kan zijn, nodig ik je uit om Bas eens te komen opwachten na een nacht uitgaan) maar daarna wil je toch liever gewoon je man terug.
Nuchter en op een deftig uur in bed zonder een aroma van verschraald bier, sigaretten, vuiligheid en Irish Coffee rond zich.
Elke dag opnieuw ontvang ik hem met open armen vol liefde en begrip, alleen in het begin van de Feesten wat meer van harte dan aan het einde.
Hij hoeft zich niet in te houden voor mij, het zijn zijn Feesten net zoveel als die van mij, ik zou me slecht voelen moest hij thuis blijven enkel en alleen om mij een plezier te doen.
Maar toch voel ik me er niet goed bij.
Ergens denk ik dat ik misschien gewoon jaloers ben dat ik er weer niet bij was, en dat ik gewoon zélf nog eens strontzat op de Vlasmarkt wil staan tot een stuk in de voormiddag.

Geloof me, die periode wordt er in mijn hoofd heel wat af gesakkerd.
Het moeilijk daaraan is, ik kan niet kwaad op hem zijn, ik wil vooral niet kwaad op hem zijn en toch ben ik het.
Maar weet je, dat zijn de Gentse Feesten.
Hij doet niet anders, of meer, of zwaarder dan andere mensen.

Alleen ben ik er niet bij.
En dat doet pijn.

Kwaad is het nieuwe blij

Kortgeleden was ik kwaad op mezelf.
Echt kwaad.
Of erger nog.
Teleurgesteld.

Ik durf weleens gebruik maken van het medium twitter.
Twitter is, zeg maar, mijn ding.
Soms grappig, soms serieus, soms eerlijk, soms met een grove korrel zout.
Dat is twitter.
Maar wat ik er niet doe, of toch zo min mogelijk, is neuten.
Neuten is voor thuis.
Tot ik mezelf enkele weken geleden betrapte op het feit dat ik al enkele dagen na mekaar over niks anders had getweet dan over het feit dat ik het moeilijk had, dat de pijn fel opstak, slapen moeilijk was en ik me eenzaam voelde omdat ik me door de ongemakken niet kon bezighouden. En dat stoorde me.
En nog geen beetje.
Toen ik ook dat gevoel op twitter deelde, kreeg ik onmiddellijk veel lieve en goedbedoelde reacties.
Dat eens goed zeuren toch deugd kan doen, en dat iedereen wel begrijpt dat het in mijn situatie niet altijd makkelijk is om positief te blijven, dat iedereen recht heeft op zijn dagelijkse portie gemekker.
Allemaal waar, maar het zegt me niet veel.
Ik voel het niet zo.
Of toch wel, voor een ander, maar niet voor mezelf.
Niet dat ik mezelf een soort van uit de hand gelopen spartaans regime van ‘nie neuten, nie pleujen’ opleg of zo, maar ik hou er gewoon niet van.
Ik hou niet van mezelf als ik aan het zagen en klagen sla, of toch minder.
En al zeker niet als ik er in mijn ogen eigenlijk niet echt recht op heb.

Mijn situatie is jaren uitzichtloos geweest.
De pijn ging van slecht naar slechter naar onhoudbaar en het zag er niet naar uit dat er gauw een kentering zou komen in die evolutie.
Heftig, zeker weten, maar het is in die periode dat ik ontzettend veel geleerd heb over doorbijten en ‘looking on the bright side of life’. Kijken naar wat wél nog kan, en wat je wél hebt in plaats van naar wat tegenslaat of wegvalt. Je optrekken aan dingen die energie geven, en foert leren zeggen aan wat energie zuigt.
Sinds kort lijkt er stilaan verandering te komen in mijn gezondheidstoestand, traag maar zeker, het recupereren lijkt sneller te gaan waardoor ik net dat ietsje meer aankan dan voor ik aan de behandeling begon. Ik ga alweer eens mee op restaurant of naar theater, dingen die ik jarenlang met pijn in het hart moest missen.
De grote moeilijkheid nu is doseren.
Ik werd lange tijd door iedereen afgeschermd van leuke dingen, en dat gaf me gemoedsrust. Niemand vroeg me om uit eten te gaan of iets te gaan drinken, omdat het toch niet kon, het gewoon niet weten was dan de minst pijnlijke optie. Nu komen die vragen wel weer, en moet ik leren niet meteen overal ‘ja’ op te antwoorden omdat ik bruis van goesting.
En dat is wat er kortgeleden net wel gebeurd is.
Ik had overdreven.
Een paar etentjes op korte tijd, mijn dieet compleet links laten liggen, te laat in bed, te weinig rust.
En dan krijg je de terugslag.
Uiteraard.
Moeilijk een verrassing te noemen, toch?
In mijn ogen dan ook geen reden tot klagen.
En daarom was ik zo teleurgesteld in mezelf, omdat ik blunderde tegen mijn eigen ‘regels’. Iedereen moet voor zichzelf uitmaken wat voor hem of haar oké is, iedereen heeft een soort van inwendige gedragscode, niet?
Ik alleszins wel, en ik zie mezelf het liefst als de positieve jonge vrouw die ik geworden ben. En ja, ik ben zo geworden door veel tegenslagen, dat klopt.
Maar ik ben blij met wie ik nu ben en net daarom ben ik hier zo categoriek en misschien op het eerste zicht best hard in.
Ik vind mezelf mooier en lieflijker als ik lach.
Simpel.

Ik kan me soms ontzettend ergeren aan het oeverloze geklaag van mensen.
Waarom zijn we niet allemaal gewoon wat gelukkiger?
Door de manier waarop mijn leven de voorbije vijftien jaar gelopen is, heb ik geleerd dat elke stap vooruitgang is. Voor mij is die stap eerder letterlijk te nemen, maar iedereen heeft ‘stappen’ in zijn leven, het gaat voor niemand zomaar gewoon vanzelf. Sprookjes bestaan écht niet, dat weet ik onderhand wel zeker.
Het is alleen zo verdomd jammer dat niet iedereen zich daar bewust van is.
Ik hoor zo vaak mensen zichzelf beklagen over zowat alles, over elke ieniemienie kleine tegenslag, of gewoon maar een stap die lichtjes afwijkt van het vooraf geplaveide pad.
Stop daar toch gewoon mee!
Kunnen we alsjeblieft leren om eerst te kijken naar wat er wél is?
Naar wat er wél kan?
Naar wat er wél volgens plan is verlopen?
Naar wat er wél al is bereikt?
Kunnen we alsjeblieft eens wat meer leren genieten van kleine, onnozele dingen, fuckers?
Ik heb jaren aan een stuk gehuild om wat ik allemaal moest missen, maar ik heb het nooit helemaal opgegeven.
Omdat ik besefte dat ik ook dingen wél had. Dingen waar anderen, die fysiek perfect in orde zijn, alleen maar van kunnen dromen. De perfécte man, een gezin waarop ik altijd kan rekenen, en vrienden die komen en gaan op verzoek, ook op de meest zware en moeilijke momenten.
En als ik dat kan…?

Deze blogpost was al grotendeels geschreven toen ik de aflevering van ‘Het huis’ met Wielemie zag, dewelke best een grote confrontatie bleek.
Haar verhaal vertoont enorm veel raakvlakken met het mijne, en dat was toch even slikken.
De beelden van nachtelijke pijnaanvallen, flauwvallen van de pijn gewoon waar je zit van het ene moment op het andere, de liefde voor het huisdier. ‘Het huis’ van Marieke Vervoort leek bij momenten wel ‘Mijn huis’.
“Dagelijks hoge dosissen morfine nemen en nog steeds vreselijk veel pijn hebben is het ergste wat er is,” zei ze, en ik begreep exact wat ze bedoelde.
Je kan het niet uitleggen, maar het is er wel.
Altijd.
Een jaar of drie geleden had ik alle informatie ingezameld ter voorbereiding van het invullen van mijn euthanasiedossier, nog een pijnlijk raakvlak.
Ik wilde dat klaar hebben, voor als ik het écht niet meer zag zitten.
Ik wilde eruit kunnen stappen op een vredige, rustige manier op het moment dat het voor mij genoeg geweest was, op het moment dat ik de kracht niet meer had om de mooie dingen het te laten halen van de lelijke.
Net als Marieke.
Haar beschrijving van het waarom van haar keuze voor euthanasie was, in haar woorden, zowat identiek aan de mijne. Bas kon zich er helemaal in verplaatsen, want zo had ik het ook aan hem uitgelegd, toen. Moeilijke gesprekken waren dat, die ik begonnen was met de vraag of hij me zou steunen moest ik ooit effectief de keuze maken.
Dat idee zit nu gelukkig heel ver weg, ik zie nu vooral weer toekomst.

Laat dit bericht dan ook een oproep zijn aan iedereen.
Leef! Lach! Geniet!, verdorie, want voor je ‘t weet is het voorbij.