Broeder-liefde(?)

Annelies Staessens, geboren te Sint-Niklaas op één oktober negentienhonderdzesentachtig.
Dochter van Dirk Staessens en Marleen Christiaens.
Zusje van Arnout Staessens.
Zo werd ik achtentwintig jaar geleden aangekondigd.
Een tweede kindje voor mijn ouders, een eerste dochter.
Mijn broer was twee en hopeloos verliefd op zijn kleine zus, het liefst was hij bij mij in de wieg geklommen om mij dag en nacht te kunnen beschermen.
Heel lang heeft die beschermingsfase echter niet geduurd, vanaf het moment dat ik goed en wel kon lopen waren broer en zus Staessens voor het grootste deel van de tijd kat en hond. Hij haalde me het bloed van onder de nagels, die broer van mij. Vooral gedurende de eindeloos lange periode van zijn puberteit kon ik zijn bloed wel drinken.
Als je het hem vraagt vertelt hij ongetwijfeld hetzelfde verhaal over mij, ik hoef natuurlijk niet uit te leggen dat alle negatieve verhalen over mijn persoon volkomen gelogen en/of uit hun context gerukt zijn.

Toen Arnout en ik zes en acht waren, onze vete nog volop in zijn groei, kondigde zich een derde kind aan.
Alweer een jongetje, Johan.
Ik herinner me nog dat ik over hem vertelde op school, ik zat in het eerste leerjaar, en erg fier was dat ik een echte baby kon optillen.
Arnout en ik verzorgden en speelden erop los met onze levende pop, maar al gauw werd ons broertje gewoon een extra reden om ruzie te maken.
Want aan wie was het nu weer om een flesje te geven?
En had hij hem de vorige keer niet al in bad gedaan?
En waarom mag zij altijd een verhaaltje voorlezen, ze kan nog niet eens deftig lezen?!
Pure blijdschap en liefde.

Wij werden ouder, onze ruzies heviger.
Johan bleef eigenlijk overal mooi tussenuit, hij was een beetje een zondagskind.
Het leeftijdsverschil was net te groot om hem als pion in te zetten of hem kant te laten kiezen in onze oververhitte disputen. Wat ik wel soms deed was mijn beklag gaan doen tegen ‘de kleine’ en me door hem laten troosten, want dat kon hij.
Johan fladderde eigenlijk altijd overal een beetje tussen als vriend van alle partijen en die functie bekleedde hij als de beste.
Maar hem echt leren kennen doe ik nu pas, als ik heel eerlijk ben.
Johan was twaalf toen ik op kot ging, Arnout was al een jaar eerder vertrokken.
En omdat ik vrijwel meteen ging samenwonen kwam ik in het weekend ook niet meer zo vaak naar huis. Dus veel tijd hebben we nooit samen doorgebracht.
Hij is altijd mijn klein broertje gebleven, ook al is hij nu een tweeëntwintigjarige basketter van bijna twee meter.
Johan rijdt intussen met de auto en, omdat hij alleen nog maar zijn eindwerk hoeft af te werken, heeft relatief veel vrije tijd om mij van en naar dokters en ziekenhuizen te vervoeren. En tijdens die ritten praten we, en leren we elkaar kennen.
Mijn mama werkt in Gent, die ben ik altijd geregeld blijven zien, dus de informatie die Johan over zijn zus heeft, en omgekeerd, komt vrijwel allemaal via haar.
Daar is uiteraard niks mis mee, maar het is niet hetzelfde.
Ik wil mijn broer ook zélf leren kennen.
Net zoals ik graag zou willen dat hij mij leert kennen, zonder tussenpersonen.
Familie wordt belangrijker, dat voel ik heel erg met het ouder worden, ik wil de banden graag aantrekken. Ik heb er ook plezier in, merk ik.
Ik wil graag weten waar mijn broers mee bezig zijn, wat ze doen en laten.
Wat hun toekomstplannen zijn.
Het zijn mijn broers, weet je wel?
My bro’s.

Maar terug naar mijn hoofdverhaal nu, ik wilde het in deze post eigenlijk voornamelijk over mijn oudste broer Arnout hebben.
In onze gevechten kenden we geen regels, alles was toegestaan. Achteraf gezien hadden we daar misschien toch beter eventjes langer over kunnen nadenken, meer dan eens moest ik met lelijke blauwe plekken of mijn broer met een venijnige mensenbeet in zijn bil richting turn -of zwemles op school vertrekken.
Onze ergste ruzies ontstonden bijna altijd uit een goedbedoeld samenspel, dat herinner ik me nog heel goed. En dat is ook de reden waarom ik er altijd ergens van overtuigd bleef dat er toch een soort van vreemdsoortige liefde moest heersen tussen mij en mijn oudere broer. Al zijn er, naar mijn bescheiden mening, wel betere manieren om het concept ‘liefde’ aan mekaar te tonen.
Maar goed, voor je het weet kan je niks meer doen zonder er eerst lang en goed over na te denken. Belachelijk gewoon.
Onze liefde, en daaraan vastgeketend onze haat, voor elkaar kwam uit onze tenen naar boven, als een soort oerkracht waartegen je je onmogelijk kan verzetten.

Zo intens als we mekaar haatten, zo onvoorwaardelijk gingen we voor mekaar door het vuur.
Arnout moest ooit als opdracht voor Muzikale Opvoeding, hij moet in het tweede of derde jaar van het secundair onderwijs gezeten hebben, het hele jaar door een muziekmap bij houden. Hoe en wat mocht hij zelf invullen maar het moest een persoonlijk werk worden.
Wil nu het toeval dat mijn grote broer die taak een beetje ‘vergeten’ was tot de dag voor hij zijn map gevuld met bloed, zweet en tranen moest indienden.
Gevolg?
Drama op woensdagnamiddag.
Papa ziedend van woede, want het was ook altijd hetzelfde met dat manneke.
Mama teleurgesteld, en we weten allemaal dat dat nog pakken erger is dan eens goed kwaad zijn en wat geroep en getier.
En toen kwam kleine zus met de oplossing. Een stapel opgespaarde Joepie’s,proper opgeborgen, gelezen en herlezen en gekoesterd in mijn schuif met sleuteltje.
Hij kreeg ze onder één voorwaarde, ik wilde helpen.
Dus knipten en plakten we ons een hele namiddag samen door mijn stapel tijdschriften.
Zonder ruzie.
Zelfs geen heel klein beetje.
Arnout scoorde uitmuntend op zijn ‘persoonlijke’ muziekmap, met dank aan kleine zus.
Toen hij me achteraf de map terug wilde geven hoefde ik ze niet meer, Joepie was ‘out’, Fancy was ‘in’.

Maar eerlijk is eerlijk, onze eenheid werkte langs beide kanten. Als het moest kon ik ook altijd op mijn grote broer rekenen, ik bleef tenslotte toch zijn kleine zusje.
Toen ik een jaar of tien was kreeg ik een nieuwe fiets.
Wij woonden in Belsele maar ‘het leven’ speelde zich grotendeels af in Sint-Niklaas. We waren het dan ook al van op jonge leeftijd gewend om de rit tussen dorp en stad met de fiets af te leggen, langs een aangelegde fietsenwegel naast de spoorweg.
Fier als een gieter mocht ik, toen met die nieuwe fiets, voor de allereerste keer helemaal alleen naar huis rijden.
En of ik er klaar voor was.
Wat niet ingecalculeerd was, was de exhibitionist die me halverwege de weg tussen Sint-Niklaas en Belsele in de struiken stond op te wachten. Toen ik voorbijreed en hij me zijn materiaal liet zien fietste ik snel verder, hopend dat het voorbij was. Maar de man bleef achter me aan rijden, hij duwde me en verplichtte me te vertellen waarom ik niet had willen kijken naar al het moois dat hij voor mij tentoongespreid had. Ik huilde, ik was doodsbang maar ik bleef trappen en bidden (dit verhaal speelt zich af in de tijd dat we nog allemaal katholiek waren) dat er me niks zou overkomen. De man bleef duwen, probeerde me van mijn fiets te krijgen maar ik fietste door zo hard ik kon. Ik was een turnster en de balk was één van mijn sterkste toestellen, wat evenwicht betrof ging die maniak het van mij nooit winnen. Daar waar het fietspad breder werd en drukker bereden liet de man mij alleen, we zouden recht de woonwijken van Belsele binnenrijden en dat zag meneer blijkbaar niet zitten. Hij riep me nog wat scheldwoorden achterna maar fietste niet langer naast me.
Oef.
Op zich was er helemaal niks gebeurd maar ik voelde me betast. Ik was niet langer onschuldig, of zo voelde het toch. En, wat misschien nog het ergste was, ik voelde me niet meer veilig. Dit alles gebeurde zo dicht bij huis, langs de weg waar ik elke dag passeerde, hoe zou ik die ooit nog kunnen nemen zonder hieraan terug te denken?
Thuisgekomen moest ik meteen de auto in. We zouden naar een speeltuin gaan, ergens ver weg.
Ik zei niks.
Niet over wat er gebeurd was maar ook niets anders.
Pas in Limburg, waar de speeltuin lag, deed ik mijn mond open.
Tegen Arnout, de broer waar ik zo’n hekel aan had.
Hij was de enige die ik in vertrouwen durfde nemen.
Niet mijn mama, op wiens schoot ik nog steeds elke avond kroop.
Neen.
Mijn grote broer.
Ik huilde, vertelde hem alles en smeekte hem te zwijgen.
En dat deed hij.
Hij was ontzettend zorgzaam, wilde me beschermen en zorgen dat niemand ooit nog een vinger naar zijn zus zou uitsteken. Hij fietste met me mee naar mijn trainingen en haalde me er weer op.
Uiteindelijk vertelde hij het wel aan mama, omdat ik er maar niet uit leek te raken, maar hij bleef me escorteren als ik daar nood aan had.
Tot op een bepaald punt uiteraard, elke man heeft zijn grenzen niet waar.

En nu, nu vind ik hem eigenlijk best een toffe peer, mijn broer.
Geen haar op mijn hoofd dat eraan zou denken om weer met hem samen te gaan wonen, dat niet, de trekken die ik haatte zijn er immers nooit helemaal uitgegroeid.
Maar ik zie hem wel echt graag, besef ik nu.
Hij kocht samen met zijn vrouw het huis van mijn grootouders en verbouwde dat tot een thuis waar ik meteen zelf zou gaan wonen, in het geval hij eerst zelf een ander onderkomen zou zoeken uiteraard, daar zijn we het intussen wel over eens.
Hij heeft, opnieuw samen met zijn vrouw, twee schatten van kinderen op de wereld gezet die ik, zonder voorwaarden dit keer, meteen in huis zou halen moest één van hen iets overkomen. Misschien komt dat er nu heel morbide uit maar ik meen het wel, ik zal er staan als dat ooit nodig moest zijn. Ik ben meter, tante, zus en schoonzus, genoeg taken om op te nemen en volledig vervlochten te zijn met mijn broer en het gezin dat hij heeft gesticht.
Dat mijn broer mij koos om meter te worden van zijn eerstgeborene is een eer die ik oprecht nooit in woorden zal kunnen vatten.
Ik voel me verantwoordelijk op de mooiste, meest fantastische manier die er bestaat. En ik zou die verantwoordelijkheid met alle liefde van de wereld op mij nemen.

Arnout man, ik hou van u.
Als een goeie zus, eentje die er is als je ze nodig hebt.
Die je, en dat geloof ik echt, op een manier beter kent dan wie ook.
Die je zag uitgroeien van een ongelooflijke etter tot een man die weet wat hij wil.
Die alleen maar wil dat jij gelukkig bent, omdat je nu eenmaal haar broer bent en omdat je het verdient om gelukkig te zijn.
Die soms ziekelijk jaloers is op je prachtige zonen omdat ze er graag zelf zo twee had willen hebben, maar gelukkig wordt van het kijken naar hoe jij met hen bezig bent. Als een échte papa, en jonge kerel die ervoor gemaakt is papa te zijn.

Misschien hadden we die jaren van water en vuur wel nodig om mekaar nu te kunnen appreciëren om wie we zijn.
Wat denk jij?
En wat een saai leven hadden mama en papa gehad als ze drie zo’n voorbeeldjes als ‘onze kleinen’ hadden gekregen.
We deden het uiteindelijk toch allemaal voor hen hé.
Niet?

Advertenties

7 thoughts on “Broeder-liefde(?)

  1. Mooi beschreven ! Zo zie je maar dat je uit alle situatie’s iets positief kunt halen !
    Goed gedaan, en trouwens, nog eens een dikke proficiat met je artikel in Dag Allemaal ! Ik hoop mee op het beste voor je …
    Groetjes Sophie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s