Aan welk station zitten we nu eigenlijk?

Bijna wekelijks krijg ik warme berichten, via allerhande kanalen.
Mensen die bezorgd zijn, benieuwd zijn, of gewoon lief zijn, sturen me briefjes met troostende woorden, mails vol steun en liefde en kaartjes met opbeurende tekeningen op de voorkant.
Maar ik krijg ook regelmatig vragen van lotgenoten, en verzoeken om meer informatie over mijn gezondheidstoestand.
Ik merk dat heel veel mensen, of ik ze nu ken of niet, oprecht nieuwsgierig zijn naar mijn toestand en vooruitgang, en ik houd jullie dan ook met veel plezier op de hoogte.
Het was lange tijd erg moeilijk om te schrijven, en dat is het nog steeds, mijn vingers willen vaak niet lang genoeg mee om een volledige blogpost rond te krijgen en mijn concentratievermogen is wispelturiger dan het humeur van de gemiddelde puber, maar ik probeer stukje bij beetje toch een soort van update-bericht op poten te zetten om al die lieve boodschappers op de hoogte te brengen van de huidige status.

De laatste maanden waren erg zwaar, het laatste anderhalf jaar eigenlijk, sinds ik met de behandeling tegen de ziekte van Lyme begon. Elke nieuwe antibioticakuur heeft zijn punt waarop ik even breek. Soms maar een beetje, soms helemaal tot er niks meer overblijft om te bewegen, te slapen, te eten, te leven.
Zo belandde ik op kerstavond-dag in het ziekenhuis voor een extra dosis ketamine, omdat ik de hele dag huilde van de pijn en niks meer kon bewegen. De pijn letterlijk niet meer aankunnen, het bestaat.
Maar ook dat gaat weer over.
Intussen kan ik weer vechten, en voel ik weer die minieme vooruitgang die ik eind vorig jaar ook al dacht te herkennen. Over grenzen gaan en de recuperatietijd stukje bij beetje zien inkorten, een bijna onzichtbaar maar toch duidelijk herkenbaar verschijnsel. Ik word er zowaar weemoedig van.
Is dit het nu?
Het begin van de vooruitgang?
Professor De Meirleir is geen ‘mensenman’, voor hem tellen bloedwaarden en onderzoeksresultaten. En toch kreeg ik bij mijn laatste afspraak te horen dat hij verwacht dat ik tegen juni van dit jaar de eerste echte duidelijk verbetering mag verwachten. Hij is er de man niet naar loze beloften te maken, of patiënten ‘zomaar’ een goed gevoel te geven, en dat maakt dat deze uitspraak maar blijft nazinderen.
Juni, dat is wat ze ‘binnen afzienbare tijd’ noemen.
Het begin van de zomer en de mooiste tijd van het jaar. En als wat de dokter zegt ook uiteindelijk uitkomt, de mooiste tijd van heel wat jaren.
Vanaf nu geen grote slagen meer in het gezicht, zo sprak de dokter, niet zoals bij de vorige sprankels hoop die vrijwel meteen weer werden tenietgedaan.
Alleen maar vooruitkijken, steeds minder bijwerkingen van de medicatie, zo sprak de dokter, nu kan je lichaam vechten en aansterken tegelijk. Het hoeft niet meer elke keer het onderspit te delven, je mag ook al eens winnen nu.
Gaat het echt gebeuren?
Kan ik stilaan aan meer en langere wandeloefeningen beginnen denken?
Zal mijn stokoude rolstoel me nog lang genoeg kunnen dragen, en mag hij binnen enige tijd eindelijk op welverdiende rust?

Goede vooruitzichten en hoop zijn fantastisch, maar eerlijk is eerlijk, ze maken het leven daarom niet altijd gemakkelijker. Ik wil vooruit nu, plannen maken, beginnen voelen dat het allemaal écht is, dat de grote stap voorwaarts is ingezet.
Ik wil nu alles tegelijk, en dat kan natuurlijk niet, maar aan leren dat gevoel inperken heb ik verdomd een hele kluif. Weten dat je situatie, die lang compleet uitzichtloos leek, nu elk moment kan beginnen verbeteren geeft een spanning waar je geen baas over bent.
Het doet dromen.
Van ondernemen, denken, doen, spelen, leven.
Kinderen krijgen, werk vinden waar je je hart in kan verliezen, de reizen maken waar je altijd van droomde.
Grote dromen.
Maar om te beginnen ook hele kleintjes.
Zelf weer naar de winkel gaan, of mijn medicijnen ophalen bij de apotheker om de hoek. Winnen aan zelfstandigheid.
Intussen ben ik drie jaar thuis, drie jaar al waarin ik leef van zo goed als complete afhankelijkheid. Al gedurende die hele periode zit ik opgesloten in mijn eigen huis, als niemand me buiten haalt geraak ik niet weg. En nu er zicht komt op verandering, begint mijn gat te jeuken om op te staan en weer zelf van de buitenwereld te gaan proeven.
Vrienden opzoeken in plaats van altijd bezoek te krijgen.
Wandelen in de Bourgoyen, het prachtige natuurgebied met een ingang recht tegenover ons huis.
Mijn leven weer in handen kunnen nemen zonder voor elke kleine stap hulp te moeten vragen.
Eigenlijk heel gewone, alledaagse dingen.
Dingen waarvan ik even mocht proeven toen ik enkele jaren geleden een betere periode kende. Terug die zelfstandige vrouw zijn, die na het werk boodschappen deed, ging sporten of genoot van een after work drink met man en vrienden.

Ik vraag niet veel hoor.
Gewoon, ‘gewoon’ zijn.
Niet ‘anders’.
Geen speciale plaatsen meer aanvragen voor theatervoorstellingen maar gewoon online tickets bestellen zoals iedereen.
Vloeken omdat je geen parkeerplaats vindt en een kwartier moet wandelen naar je bestemming in plaats van je blauwe parkeerkaart te leggen.
Gezwind bus en trein nemen zonder gedoe, gewoon opstappen en me ergeren aan mijn medereizigers, zoals iedereen.
Geen voorkeursbehandeling meer in musea, maar gewoon urenlang hand in hand aanschuiven, zoals iedereen.
Ik hoef niet de keizerin van China te worden, of toch niet meteen, Annelies kunnen zijn lijkt me voorlopig al meer dan genoeg.

Station Hoop is mooi, maar ik sta te trappelen aan de rand van het perron, ik wil eraf, zo snel mogelijk naar het volgende.
Naar het station van de Toekomst.
Een toekomst die ik zelf kan bouwen, waarin ik mezelf weer kan zijn.
Een toekomst die ik zelf orkestreer in plaats van ze te laten leiden door een lichaam dat niet aanvoelt als het mijne.
Een toekomst waarin ik de kans krijg om weer zelf fouten te maken en dingen tot een goed einde te brengen.
Een actieve toekomst, in elke betekenis van het woord.

Ik zit al twintig jaar op een aftandse trein, ik ben meer dan klaar om over te stappen.
Tsjoeke tsjoeke tuut-tuut, weg zijn wij!

1930487_10208534413375803_1807491363252560974_n

Advertenties

Saga van een Crazy Cat Lady

Het voorbije weekend postte Eva Mouton, Gents multitalent, het volgende op haar Facebookpagina:

Vanmorgen heeft Bert Saga gevonden in de cité om de hoek. Onze lieve, mooie, avontuurlijke poes is dood. We zijn er zo het hart van in.

Massa’s mensen reageerden.
Met ongeloof, verdriet, medeleven en de meest pakkende steunbetuiging die ze konden vinden of verzinnen.
Saga was een beetje de kat van alleman, het voelde aan alsof je haar echt kende. Door Eva’s verhaaltjes in De Standaard, via een statusupdate op Facebook, of van foto’s op Instagram en twitter.

Ikzelf was een paar dagen compleet van de kaart.
Heel plots, tijdens die dagen, kon het idee dat Saga er niet meer was me overvallen. En in een flits veranderde mijn hoofd Saga in onze eigen katten, Onze Kevin of Dieander.
Ik wist al langer dat ik heel veel om die beestjes gaf, maar een gebeurtenis als deze legt het er wel erg dik op.
Ik kan me echt niet voorstellen wat ik zou doen als één van onze poezen plots stopte met deel uitmaken van ons gezin. Want dat zijn ze echt, een wezenlijk onderdeel van ‘ons’.

Deze zomer is Onze Kevin drie jaar bij ons, Dieander intussen ook al twee.
Het klinkt allemaal enorm belachelijk, dat besef ik terdege, maar die twee kleine bollen pluis hebben ons leven veranderd.
Beter gemaakt, op een manier.
Maar wat is dat toch, dat wat dieren in mensen losmaken?

Ik sta machteloos ten opzichte van mijn katten omdat ik zoveel liefde voor hen voel. En hoe dom is dat, als je het vanop afstand bekijkt.
Ik bedoel, het zijn katten, dieren die gekend staan om het hebben van slechts één emotie zijnde “ik heb honger, geef mij eten”. Katten zouden geen liefde geven, maar er enkel naar trachten hun eigen noden zo goed mogelijk te vervullen.

In theorie kan dat allemaal wel zo zijn, maar ik kies ervoor het toch niet zomaar aan te nemen.
Ik probeer hier niet naïef te zijn, al was die missie misschien al verloren van zodra het idee opkwam iets over katten te schrijven, maar waarom voelt het dan allemaal zo anders aan als je zelf een kat hebt en dat beestje aandacht geeft?
Waarom valt het ook anderen op dat Onze Kevin veel dichter bij mij in de buurt blijft als het een dag echt heel slecht met me gaat. Als anderen dat ook opmerken kan het toch niet zijn dat ik het mezelf wijsmaak omdat ik het graag zo zou hebben?
Of wel?
En waarom voelt het alsof ik Dieanders ingewikkelde karaktertje toch meer en meer lijk te kunnen ontwarren naarmate ik er meer tijd en energie in steek?

Weet je, eigenlijk kan het me enorm weinig schelen wat er nu wel of niet ‘waar’ of proefondervindelijk bewezen is.
Ik hou ervan om mijn katten te bemoederen als waren ze mijn eigen vlees en bloed.
En ik vind het niet minder dan heerlijk om mezelf ervan te overtuigen dat ik een band heb met mijn ‘kindertjes’ waar niemand ooit nog tussen komt.
Overdreven? Wie bepaalt dat?

Als ik me graag blauw betaal aan de beste voeding voor het gevoelige maagje van Onze Kevin, who cares?
Oké, Bas misschien een beetje, maar die is al net zo erg als ik.
En dat ze af en toe eens een nieuw speeltje krijgen?
Waarom zouden zij het moeten doen met een kapot gebeten speelgoedmuis terwijl wij onszelf wel continu spiksplinternieuwe afleiding permitteren?
Als ik onze kat was en ik moest te lang met hetzelfde prul spelen, ik piste meteen die Millennium Falcon van LEGO vol waar iedereen die binnenkomt vol bewondering naar moet staan kijken.
Kijken, niet aankomen uiteraard, want “DAT IS GEEN SPEELGOED!”.

Onze katten gaan graag eens buiten.
Spelen, op avontuur, ontdekken wat er rond ons huis te beleven valt.
Ik vind dat niet erg, ze zijn relatief beschermd in onze buurt, maar toch maakt mijn hart nog elke keer een sprongetje als ze weer, elk op hun eigen manier, vragen of ze terug naar binnen mogen.
Kevin staat gewoon stokstijf voor het raam op een plek waar hij denkt dat we hem kunnen zien van waar we op dat moment zijn. Duurt het te lang dan schuift hij een paar meter op en gaat daar weer een tijdje wachten. Tot één van ons zijn kopje ziet en het raam voor hem opent.
Dieander pakt het enigszins anders aan.
Zij springt op haar achterste poten en tikt met haar voorste twee tegen het raam terwijl ze een luid piepend geluid voortbrengt. Zo danst ze een beetje heen en weer en zorgt ervoor dat mijn schuifraam nooit proper is of zal zijn.
Het zij zo.
Een vuil raam is ook een raam.

Al bij al denk ik wel dat onze poezen bij ons, of moet ik zeggen bij mij, passen.
In die zin dat ik als de dood ben om ze ooit kwijt te geraken, en dat zij zich best comfortabel lijken te voelen in een leven met eerder beperkte vrijheid. Onze Kevin heeft zijn buitenspeeltijd nodig, en die krijgt hij ook, maar hij blijft nooit lang weg. In de zomer, als het warm genoeg is om het schuifraam open te laten, loopt hij soms hele dagen in en uit. Maar echt uren en uren wegblijven heeft hij eigenlijk nog nooit gedaan.
Dieander is een eerder luie kat, dat heeft ze van de papa.
Laat je haar buiten, allemaal goed
Laat je haar niet buiten, even goed.
Laat je haar buiten en het staat haar daar niet aan, ligt ze na twee minuten terug helemaal opgekruld in haar zetel.
Behalve dan die ene keer dat ze niet terug kwam.

Vorig jaar, het moet april of mei geweest zijn, denk ik.
Bas was op weekend dus ik zat alleen thuis.
Zaterdagavond, zo rond een uur of zeven, liet ik de poezen nog een laatste keer buiten. Kevin stond er na een goed halfuur terug.
Vaak komen onze katten samen terug naar huis, maar dit keer dus niet.
De eerste, nog voorzichtige, ongerustheid stak de kop op na een uur of twee, drie wachten. Dat is best snel, maar men kent zijn katten en Dieander bleef, en blijft nog steeds, nooit zo lang aan één stuk buiten.
De nacht viel, net als de tranen uit mijn ogen.
Ik haalde alle fleece dekens uit de kast en installeerde me op de zetel, met Onze Kevin dicht tegen me aan. Het zal wel weer aan mij liggen, maar het viel me op dat ook hij niet helemaal in zijn gewone doen was. Hij trippelde de hele avond zenuwachtig over en weer en stopte elke vijf minuten aan het raam waar hij een tijdje bleef staan kijken. De nacht vorderde en ik verkeerde continu in een halfslaap met verhoogde waakzaamheid.
Maar geen teken van Dieander.
Zondag plakte zich naadloos aan de voorbije nacht vast, ik lag doodmoe -en ongerust op de zetel. Met dat verschil dat ik nu elke uur vijf minuten naar het terras verhuisde om mijn keel schor te schreeuwen. Ik verfoeide mezelf dat ik haar nog buiten had gelaten terwijl de zon bijna onder was, en mijn ziekte die ervoor zorgde dat ik niet gewoon even naar buiten kon gaan om mijn kleine schat te zoeken.
Ze zou toch nooit zomaar wegblijven?
Ze was toch graag bij ons?
Die machteloosheid, om zot van te worden.
Datzelfde moment voelde ik me ook écht stom, want hoeveel poezen blijven er niet eens een nachtje weg?
Maar toch, we hadden het hier wel over Dieander en die doet dat niet, want dat is een brave.
Bas had zijn auto nog niet goed en wel geparkeerd of ik viel hem huilend in de armen. Hoewel hij de “Maar liefje dat is toch niet abnormaal dat een kat eens wat langer wegblijft” -kaart trok, zag ik in zijn ogen dat ook hij er niet helemaal gerust in was.
Nadat hij, met een stem die een stuk zwaarder is en veel verder draagt dan de mijne, twee keer “Dieander” riep, hoorden we allebei een schril, angstig gepiep als reactie. Bas liep meteen de deur uit en kwam even later terug met een doodsbange poes.
En opengekrabde armen, eerlijk is eerlijk, er zijn ook minder fraaie kanten aan het poezenouder -zijn.
Onze kleine avonturier moet ergens vastgezeten hebben en geraakte daarna de muur naar ons terras niet meer op, vermoeden we.
Zelden iemand zo euforisch geweten als ik toen.
Mijn meiske.

Ocharme.

In eerste instantie was het nochtans niet zo eenvoudig om van haar te leren houden, Dieander heeft een heel speciaal karakter.
Onze Kevin kwam met een handleiding van twee regels: “Ik ben overal bang voor en ik knuffel graag.” Dat is gemakkelijk, een kat die steeds exact doet wat je verwacht dat ie zal doen.
Of toch bij mij.
Al kan dat volgens sommigen helemaal niet omdat katten niet persoonsgericht zijn, maar bon, ik kan met Kevin alleszins lezen en schrijven.

Dieander is anders, maar wat verwacht je ook met zo’n naam.
Wie verzint zoiets?!

Meer op zichzelf.
Avontuurlijk, maar lui.
Wil overal bij zijn maar kiest zelf hoe ver je kan gaan.
Vraagt aandacht maar slechts tot op een bepaalde hoogte.
Als we met z’n viertjes in bed liggen is het Dieander die onder de dekens kruipt en zich in mijn armen nestelt om luid ronkend te liggen spinnen. Maar probeer haar te strelen op een moment dat ze er geen zin in heeft en ze plooit zich in alle mogelijke bochten om te voorkomen dat je haar heerlijk zachte vacht kan aanraken.
Ik heb het gevoel dat ik haar nu pas écht graag begin te zien.
In het begin was ze superschattig, en ze is altijd bloedmooi geweest, maar aan haar uit geraken is een ander paar mouwen, en dat bleek soms vervelend. Het heeft wat tijd gekost om dat speciaaltje in al haar vormen te omarmen.
Niet dat ik er een moment spijt van heb gehad, van de keuze voor een tweede kat. Alles liep van begin af aan eigenlijk ook op rozen omdat onze poezen gek zijn op elkaar, maar misschien hadden we stilletjes gehoopt op een échte knuffelkat.
En dat is ze niet.
Maar nu vind ik het fijn om haar een beetje uit te dagen.
Ik speel met haar op haar manier, trek rare gezichten als ze op de badrand balanceert terwijl ik in bad zit en we miauwen tegen mekaar op.
Heerlijk.
Een totaal andere kat dan Onze Kevin, helemaal zichzelf, helemaal perfect.
Dat ze bij ons gelukkig en waardig oud mogen worden.

 

Lieve Saga, deze was speciaal voor jou.
Veel spin, -speel, -en ontdekkingsreisplezier in de poezenhemel, je gaat dat daar ongetwijfeld schitterend doen.

Maar we gaan je hier missen…

En Eva, onze poezen zijn ook een beetje publiek bezit, dus laaf je gerust aan hun zottigheden als je Saga mist. Onze deur staat altijd voor je open!
(allé, niet letterlijk, anders lopen de poezen weg)

 

 

Gentse Feesten- gefeest

Je hebt twee groepen Gentenaars.
Eentje die onvoorwaardelijk van de Feesten houdt, en eentje die er elk jaar zo ver mogelijk van weg vlucht.
Ik behoor tot de eerste groep.

Ik adoreer de Gentse Feesten.
Voor mij zijn ze het toppunt van eerlijk en heerlijk vertier.
Ik hou van de sfeer, van de talrijke eetkraampjes die ik liefst van al allemaal een keer zou willen uitproberen, van de muziek, van het feit dat je fijne optredens kan bekijken zonder dat het je een cent hoeft te kosten.
Ik ben fier dat ik Gentenaar ben, en dat de Gentse Feesten dan ook een beetje ‘Mijn Feesten’ zijn. Dat mensen van heinde en verre komen om deel uit te maken van onze manier van volksvertier, dat is toch iets om trots op te zijn?
Ik ben dan ook één van die mensen die heel kwaad kijkt naar mensen die hun drank in de nachtwinkel kopen omdat dat goedkoper is.
Tien dagen gratis feesten, vierentwintig uur per dag als je wil, dan is het minste wat je kan doen toch wel je pinten aan de toog kopen, niet?
Soit, voor mij ademen de Feesten gezelligheid.
Een hele dag door de stad kuieren, beetje straatartiesten aan het werk zien, de ene al wat beter dan de andere, uitrusten op een bankje in het Baudelopark of er een dansinitiatie meepikken. Overal in de stad kan je voorstellingen bijwonen, soms gratis soms ook niet, en proeven van het echte Gent.
What’s not to like?

Elk jaar kijk ik ook halsreikend uit naar wat cirQ doet, een zot theatercolletief dat niks anders dan belachelijk leuke dingen doet. Op de Gentse Feesten is dat al een heel aantal jaren een Bata-iets. Zo passeerden bijvoorbeeld Batakamp, Bataclan en BataBata, elk met hun eigen kleur, sfeer en regels.
Een greep uit de genialiteit van Bata zijn het verplicht dragen van witte sportsokken, een totaal rookverbod behalve op bepaalde momenten, de Chatroulette, altijd op een rechte lijn lopen, de befaamde ‘ten seconds of techno’, kinderen voederen in hun ‘cel’ of het hele plein een kwartdraai draaien. Het geheel wordt steeds aan mekaar gepraat door een bekende of minder bekende komiek.
Dit jaar was een jubileumjaar, cirQ haalde al zijn topconcepten van de voorbije Bata- jaren boven en maakte er een groot ‘Rad van fortuin’ mee. Om de zoveel tijd draaide Gunter Lamoot, die dit jaar de presentatie zo goed als helemaal alleen op zich nam, aan dat rad en waar die stopte moest het publiek de ‘opdracht’ uitvoeren.
En het publiek doet dat.
Ongelooflijk vind ik dat, elke jaar opnieuw. Vraag de zotste dingen, de mensen doen het gewoon. Er hangt zo’n sfeer die ervoor zorgt dat alles kan en alles mag. Heerlijk gewoon.
Zotte dansjes, belachelijke spelletjes, compleet van de pot gerukte ‘tentoonstellingen’ en dat alles overgoten met een overdreven politiek incorrect sausje.
Zo incorrect dat je niet anders kan dan ermee lachen.
Ik zit in een rolstoel en dat is gevaarlijk bij cirQ, want alles wat anders of een beetje speciaal aan je is moet je bekopen. Een handicap, een extravagant kapsel, een andere huidskleur. Of ze lachen je uit of je wordt net overdreven in de watten gelegd.
Zo regende het enkele jaren geleden ontzettend hard toen we iets zaten te drinken. En als uit het niets haalden enkele medewerkers van cirQ een partytent om ervoor te zorgen dat ik toch zeker niet in contact zou komen met een druppel water. Leuk detail is wel dat die tent eerst een andere groep mensen tegen de regen beschermde maar ja, die zaten niet in een rolstoel.
Pech gehad.
Dit jaar passeerden Bas en ik een keer of drie, vier langs de Willem de Beersteeg voor een avondje vertier. Tijdens onze aanwezigheid stopte de wijzer van het Rad meer dan eens bij de ‘Monidans’, die we nog kenden van vorig jaar toen het plein eigendom was van de Familie Vandevelde. We waren vorig jaar al ontzettend enthousiast over de gezamenlijke kampdans en dus heel blij toen die dit jaar weer op het menu bleek te staan.
Alleen jammer dat ik net geopereerd was…
Een van de laatste dagen van de Gentse Feesten moest mijn port-à-cath eruit. Geen gigantische ingreep maar het blijft een operatie, met opensnijden en achteraf dichtnaaien en zo van die dingen.
En dat had ik dus wat onderschat.
Ik voelde weinig na de operatie, dus ging ik er ook mijn laatste dagen Gentse Feesten niet door laten verpesten. De dag van de operatie zelf al overtuigde ik Bas dat het best wel zou lukken om nog even langs cirQ te gaan.
Samen met een bomvol plein danste ik dan ook volop mee met de ‘Monidans’ en de ‘ten seconds of techno’, het is niet omdat ik in een rolstoel zit dat mijn armen niet meer kunnen zwieren, weet je wel?
Alleen had ik dat hevig armenzwaaien beter nog even achterwege gelaten, dan zou mijn wonde niet weer lichtjes open zijn gegaan.
En zou mijn litteken onderhand waarschijnlijk al wél genezen zijn.
Bedankt dus cirQ, voor een aandenken aan jullie en de Monidans in de vorm van een litteken dat waarschijnlijk nooit meer zal vervagen.
Bedankt.

Voor mij is er, naast mijn enorme liefde voor de Feesten, echter ook een keerzijde aan de medaille.
Er is namelijk ook een groot deel dat ik moet missen.
Zeg ‘Gentse Feesten’ en er roept vast wel iemand ‘Vlasmarkt!’ terug.
En die Vlasmarkt heb ik al in jaren niet meer gezien, en dat vind ik jammer.
Ja, het is maar wat dansen en zat worden en leuteren tegen compleet onbekenden, dat klopt, maar het hoort er wel bij.
En ik mis het.
Zeker niet alleen dat hoor, maar het maakt wel deel uit van het feit dat ik zowel heel erg uitkijk naar de Feesten als er tegenop zie en blij ben dat ze na tien dagen weer voorbij zijn.
Wat dat gemis niet gemakkelijker maakt is getrouwd zijn met een man als de mijne.
Bas is een varken tijdens de Gentse Feesten.
Niet beseffende dat een man van vierendertig niet meer zo snel recupereert als een kerel van eenentwintig, geeft hij zich elke mogelijke avond helemaal over aan de baldadigheden van de Vlasmarkt. Niet zelden kruis ik hem ‘s morgens straalbezopen op de trap als ik, tegen de middag, ben opgestaan en aan mijn dag wil beginnen.
Allemaal heel lief en schattig voor een keer of twee (als je niet begrijpt hoe straalbezopen lief en schattig kan zijn, nodig ik je uit om Bas eens te komen opwachten na een nacht uitgaan) maar daarna wil je toch liever gewoon je man terug.
Nuchter en op een deftig uur in bed zonder een aroma van verschraald bier, sigaretten, vuiligheid en Irish Coffee rond zich.
Elke dag opnieuw ontvang ik hem met open armen vol liefde en begrip, alleen in het begin van de Feesten wat meer van harte dan aan het einde.
Hij hoeft zich niet in te houden voor mij, het zijn zijn Feesten net zoveel als die van mij, ik zou me slecht voelen moest hij thuis blijven enkel en alleen om mij een plezier te doen.
Maar toch voel ik me er niet goed bij.
Ergens denk ik dat ik misschien gewoon jaloers ben dat ik er weer niet bij was, en dat ik gewoon zélf nog eens strontzat op de Vlasmarkt wil staan tot een stuk in de voormiddag.

Geloof me, die periode wordt er in mijn hoofd heel wat af gesakkerd.
Het moeilijk daaraan is, ik kan niet kwaad op hem zijn, ik wil vooral niet kwaad op hem zijn en toch ben ik het.
Maar weet je, dat zijn de Gentse Feesten.
Hij doet niet anders, of meer, of zwaarder dan andere mensen.

Alleen ben ik er niet bij.
En dat doet pijn.

Kwaad is het nieuwe blij

Kortgeleden was ik kwaad op mezelf.
Echt kwaad.
Of erger nog.
Teleurgesteld.

Ik durf weleens gebruik maken van het medium twitter.
Twitter is, zeg maar, mijn ding.
Soms grappig, soms serieus, soms eerlijk, soms met een grove korrel zout.
Dat is twitter.
Maar wat ik er niet doe, of toch zo min mogelijk, is neuten.
Neuten is voor thuis.
Tot ik mezelf enkele weken geleden betrapte op het feit dat ik al enkele dagen na mekaar over niks anders had getweet dan over het feit dat ik het moeilijk had, dat de pijn fel opstak, slapen moeilijk was en ik me eenzaam voelde omdat ik me door de ongemakken niet kon bezighouden. En dat stoorde me.
En nog geen beetje.
Toen ik ook dat gevoel op twitter deelde, kreeg ik onmiddellijk veel lieve en goedbedoelde reacties.
Dat eens goed zeuren toch deugd kan doen, en dat iedereen wel begrijpt dat het in mijn situatie niet altijd makkelijk is om positief te blijven, dat iedereen recht heeft op zijn dagelijkse portie gemekker.
Allemaal waar, maar het zegt me niet veel.
Ik voel het niet zo.
Of toch wel, voor een ander, maar niet voor mezelf.
Niet dat ik mezelf een soort van uit de hand gelopen spartaans regime van ‘nie neuten, nie pleujen’ opleg of zo, maar ik hou er gewoon niet van.
Ik hou niet van mezelf als ik aan het zagen en klagen sla, of toch minder.
En al zeker niet als ik er in mijn ogen eigenlijk niet echt recht op heb.

Mijn situatie is jaren uitzichtloos geweest.
De pijn ging van slecht naar slechter naar onhoudbaar en het zag er niet naar uit dat er gauw een kentering zou komen in die evolutie.
Heftig, zeker weten, maar het is in die periode dat ik ontzettend veel geleerd heb over doorbijten en ‘looking on the bright side of life’. Kijken naar wat wél nog kan, en wat je wél hebt in plaats van naar wat tegenslaat of wegvalt. Je optrekken aan dingen die energie geven, en foert leren zeggen aan wat energie zuigt.
Sinds kort lijkt er stilaan verandering te komen in mijn gezondheidstoestand, traag maar zeker, het recupereren lijkt sneller te gaan waardoor ik net dat ietsje meer aankan dan voor ik aan de behandeling begon. Ik ga alweer eens mee op restaurant of naar theater, dingen die ik jarenlang met pijn in het hart moest missen.
De grote moeilijkheid nu is doseren.
Ik werd lange tijd door iedereen afgeschermd van leuke dingen, en dat gaf me gemoedsrust. Niemand vroeg me om uit eten te gaan of iets te gaan drinken, omdat het toch niet kon, het gewoon niet weten was dan de minst pijnlijke optie. Nu komen die vragen wel weer, en moet ik leren niet meteen overal ‘ja’ op te antwoorden omdat ik bruis van goesting.
En dat is wat er kortgeleden net wel gebeurd is.
Ik had overdreven.
Een paar etentjes op korte tijd, mijn dieet compleet links laten liggen, te laat in bed, te weinig rust.
En dan krijg je de terugslag.
Uiteraard.
Moeilijk een verrassing te noemen, toch?
In mijn ogen dan ook geen reden tot klagen.
En daarom was ik zo teleurgesteld in mezelf, omdat ik blunderde tegen mijn eigen ‘regels’. Iedereen moet voor zichzelf uitmaken wat voor hem of haar oké is, iedereen heeft een soort van inwendige gedragscode, niet?
Ik alleszins wel, en ik zie mezelf het liefst als de positieve jonge vrouw die ik geworden ben. En ja, ik ben zo geworden door veel tegenslagen, dat klopt.
Maar ik ben blij met wie ik nu ben en net daarom ben ik hier zo categoriek en misschien op het eerste zicht best hard in.
Ik vind mezelf mooier en lieflijker als ik lach.
Simpel.

Ik kan me soms ontzettend ergeren aan het oeverloze geklaag van mensen.
Waarom zijn we niet allemaal gewoon wat gelukkiger?
Door de manier waarop mijn leven de voorbije vijftien jaar gelopen is, heb ik geleerd dat elke stap vooruitgang is. Voor mij is die stap eerder letterlijk te nemen, maar iedereen heeft ‘stappen’ in zijn leven, het gaat voor niemand zomaar gewoon vanzelf. Sprookjes bestaan écht niet, dat weet ik onderhand wel zeker.
Het is alleen zo verdomd jammer dat niet iedereen zich daar bewust van is.
Ik hoor zo vaak mensen zichzelf beklagen over zowat alles, over elke ieniemienie kleine tegenslag, of gewoon maar een stap die lichtjes afwijkt van het vooraf geplaveide pad.
Stop daar toch gewoon mee!
Kunnen we alsjeblieft leren om eerst te kijken naar wat er wél is?
Naar wat er wél kan?
Naar wat er wél volgens plan is verlopen?
Naar wat er wél al is bereikt?
Kunnen we alsjeblieft eens wat meer leren genieten van kleine, onnozele dingen, fuckers?
Ik heb jaren aan een stuk gehuild om wat ik allemaal moest missen, maar ik heb het nooit helemaal opgegeven.
Omdat ik besefte dat ik ook dingen wél had. Dingen waar anderen, die fysiek perfect in orde zijn, alleen maar van kunnen dromen. De perfécte man, een gezin waarop ik altijd kan rekenen, en vrienden die komen en gaan op verzoek, ook op de meest zware en moeilijke momenten.
En als ik dat kan…?

Deze blogpost was al grotendeels geschreven toen ik de aflevering van ‘Het huis’ met Wielemie zag, dewelke best een grote confrontatie bleek.
Haar verhaal vertoont enorm veel raakvlakken met het mijne, en dat was toch even slikken.
De beelden van nachtelijke pijnaanvallen, flauwvallen van de pijn gewoon waar je zit van het ene moment op het andere, de liefde voor het huisdier. ‘Het huis’ van Marieke Vervoort leek bij momenten wel ‘Mijn huis’.
“Dagelijks hoge dosissen morfine nemen en nog steeds vreselijk veel pijn hebben is het ergste wat er is,” zei ze, en ik begreep exact wat ze bedoelde.
Je kan het niet uitleggen, maar het is er wel.
Altijd.
Een jaar of drie geleden had ik alle informatie ingezameld ter voorbereiding van het invullen van mijn euthanasiedossier, nog een pijnlijk raakvlak.
Ik wilde dat klaar hebben, voor als ik het écht niet meer zag zitten.
Ik wilde eruit kunnen stappen op een vredige, rustige manier op het moment dat het voor mij genoeg geweest was, op het moment dat ik de kracht niet meer had om de mooie dingen het te laten halen van de lelijke.
Net als Marieke.
Haar beschrijving van het waarom van haar keuze voor euthanasie was, in haar woorden, zowat identiek aan de mijne. Bas kon zich er helemaal in verplaatsen, want zo had ik het ook aan hem uitgelegd, toen. Moeilijke gesprekken waren dat, die ik begonnen was met de vraag of hij me zou steunen moest ik ooit effectief de keuze maken.
Dat idee zit nu gelukkig heel ver weg, ik zie nu vooral weer toekomst.

Laat dit bericht dan ook een oproep zijn aan iedereen.
Leef! Lach! Geniet!, verdorie, want voor je ‘t weet is het voorbij.

BoedaBest

Het gebeurt.
Niet erg vaak.
Maar het gebeurt.
En als het gebeurt, dan is het magisch.
Geen wonder trouwens dat het maar zelden voorkomt.
Er kan zoveel misgaan.
Details.
Of grotere delen van het geheel.
Maar het bestaat dus wél.

Op een dag sta je weer thuis en besef je dat je ze gehad hebt.
Dat het ook jou overkomen is.
De perfecte reis.

Zo eentje was Boedapest voor mij.
Voor ons, durf ik met bijna wiskundige zekerheid zeggen.
We moesten er al lang eens uit, Bas en ik.
Onze laatste reis was Lissabon, een jaar geleden, en je herinnert je misschien nog dat dat niet meteen een schot in de roos was. Het was toen al broodnodig, dus je kan je voorstellen hoe hard we dit keer uitkeken naar enkele dagen helemaal weg van de wereld.
Bas zat er door.
Zwaar op het werk, geen energie meer, kleine dingen werden plots grote problemen.
En mijn energiepeil, dat standaard al in het rood staat, flikkerde zo hard dat we bang waren dat het er elk moment finaal de brui aan zou geven.
We moesten dus weg.
Dringend.
Niet lang, aan écht reizen denken we in de huidige situatie zelfs niet, maar wel goed.
Boedapest stond al lang gepland.
Ik kreeg voor mijn verjaardag (die in oktober valt) een citytrip met die bestemming cadeau van mijn liefhebbende echtgenoot, maar door de behandeling konden we niet eerder langer dan drie dagen van huis weg.
Dus werd het juni.
Na de consultatie bij de professor waarop hij ons meedeelde dat ik nog maar 3 dagen per week aan het infuus hoefde, gaf ik Bas het startsein voor de zoekactie naar vlucht en verblijf.
Het was mijn verjaardagscadeau dus zou ik me dit keer nergens mee bemoeien.

Het voordeel aan even niet kunnen plannen is dat je nooit lang hoeft te wachten als je dan toch iets vastlegt. Een drietal weken na het boeken konden we al vertrekken.
Niet dat die drie weken dan niet aanvoelen als een heel jaar maar goed, dat zijn stompzinnige details waar we ons nu niet mee bezighouden.
Bas’ keuze op Boedapest viel trouwens door een collega met een vriendschappelijk sausje erover. Die leerde op reis een knappe deerne kennen die afkomstig bleek te zijn van, je raadt het nooit, Boedapest.
Sindsdien wordt er duchtig heen-en-weer gereisd tussen België en Hongarije en toen Bas, luidop, zoekende was naar een cadeau voor zijn teerbeminde kwam een citytrip al snel ter sprake.
Boedapest zou alles hebben wat we in Lissabon hadden gemist.
Vriendelijke mensen, degelijk aangelegde straten en weinig bergen, heuvels of bij uitbreiding alles wat ook maar iets of wat een glooiende indruk geeft .
Na het heuvelachtig genot van Lissabon vorig jaar waarop we totaal niet voorbereid waren, zouden we dit keer niet vertrekken vooraleer we ons voldoende geïnformeerd achtten wat betreft stijgingspercentage van de gemiddelde straat in de stad waarvan sprake.
Boedapest bleek save.
Of Pest toch alleszins, het deel van de stad waar zich het bruisende leven afspeelt en waar we zouden verblijven. Boeda, het stadsdeel aan de andere kant van de Donau, is dan weer bekend om zijn heuvelachtige pracht en praal.
Je raadt het al, in Boeda hebben ze ons niet gezien.
No way José, not this time!

Het was middernacht toen onze taxi het centrum van Boedapest binnenreed.
Hij zette ons af aan het begin van de doodlopende straat waarin het appartement dat Bas voor ons boekte gelegen was. Die doodlopende straat bleek uiteindelijk meer een soort van plein te zijn, met daarop het ene gezellig verlicht terras na het andere. En zo ging het nog even door, het was een kruis van straten waar geen auto’s reden maar waar mensen en terrassen de leegte opvulden.
De hemel?
Doodmoe maar vol adrenaline kroop ik in bed, helemaal klaar om een kort maar mooi avontuur vast te breien aan het reeds bestaande ‘A+B avonturenboek’.

De vijf dagen die daarop volgden waren de hemel.
Ik weet dat ik mezelf herhaal, maar ik kan het niet duidelijker zeggen.
Alles klopte.
De stad ademt jong ondernemerschap en creativiteit.
Het is er mooi, rustig en toch levendig.
De mensen zijn vriendelijk, over het algemeen toch, je hebt er altijd die heel duidelijk moeten laten merken dat ze geen fan zijn van toeristen.
Er is veel te zien én te beleven.
Je hebt geen gids nodig om leuke dingen tegen te komen, en dat is net waar wij van houden, gewoon beginnen wandelen en zo de stad ontdekken.
Heerlijk!
De straten zijn over het algemeen perfect rolstoeltoegankelijk en niet elke winkel heeft verplicht een minimum aan tien trappen voor de ingang.
En de mensen zijn mooi, maar MOOI!
Ik kon het Bas moeilijk kwalijk nemen als zijn ogen weer maar eens uit zijn kassen rolden bij het zien van de zoveelste knappe serveerster in een restaurant, aangezien we de mijne vlak naast de zijne op de grond moesten gaan zoeken .
Een stad als Boedapest maakt het je ontzettend gemakkelijk om gelukkig te zijn.
Al na een halfuur wandelen wisten we dat het niet kapot kon, dat we het fiasco Lissabon hiermee heel snel vergeten zouden zijn.

Ik wil trouwens toch kort even zeggen dat ik misschien wel heel hard ben voor Lissabon nu, maar dat heeft te maken met het feit dat het contrast zo enorm groot was. Zonder rolstoel wil ik het best nog een tweede kans geven, al weet ik niet of Bas nog te overtuigen zal zijn, want mij leek het eigenlijk wel wat.
Zonder rolstoel.

We hebben vijf volledige dagen Boedapest gehad.
Vijf fantastische dagen.
Genoeg om compleet te vergeten waarom we nu weer zo nodig even weg moesten thuis.
Ik vertrok in Gent met Bas de zenuwpees en keerde enkele dagen later terug met een nieuwe man (in de betekenis van ‘opnieuw zen’, niet die van ‘nieuwe man’. Boedapest is fantastisch, maar het is mirakelstad niet).
Na zijn eerste sigaret op ons balkon was hij vergeten dat hij een bedrijf te runnen had en dat hij dat niet altijd even vanzelfsprekend vindt.
Vijf dagen lang telde alleen de stad.
Wij, en de stad.
We wandelden, praatten urenlang, baadden in de thermen, aten en dronken lekker en veel, lachten dag in dag uit, zowel hard als zacht, genoten zienderogen van de stad en van elkaar, rustten wanneer het nodig was zonder dat het de pret kon drukken, leefden heel even alsof we nog nooit van tegenslag gehoord hadden.
Omdat het ook zo voelde.

Juist.
Intiem.
Voldaan.
Zorgeloos.
Perféct.

Binnen of Buiten

Vluchtelingen
-crisis
-kampen
-probleem
De kranten staan er bol van.
De nieuwsuitzendingen spuwen continu nieuwe stromen informatie.
We hebben allemaal onze mening en die delen we maar al te graag, bij voorkeur met zoveel mogelijk mensen.

Ik heb erg lang getwijfeld of ik een blogpost zou wijden aan de vluchtelingenproblematiek, omdat ik me in politieke discussies op sociale media altijd liever wat op de achtergrond houd. Ik heb die gesprekken veel liever met vrienden in real life, over het internet is er toch altijd iets dat me tegenhoudt om ‘all the way’ te gaan.
Voorzichtigheid?
Maar de huidige situatie grijpt me zo naar de keel dat niet-schrijven me echt te zwaar valt. Ik praat er vaak over met Bas, met vrienden of familie, maar niks heeft de groei van de blogpost in mijn hoofd kunnen vertragen, laat staan stopzetten.

Het doet me pijn.
Veel.
En hard.
Wat er nu gebeurt, is te vreselijk voor woorden.
De situatie is tenenkrullend, haatroepend en klotenschoppend tegelijkertijd.
En ik voel me schuldig.
Stom?
Misschien.
Maar ik voel me schuldig.
Ik wil doen, helpen, daden stellen.
Maar het zal nooit genoeg zijn.
Zonder fysieke beperking zou ik meer kunnen doen, dat is waar, maar ook in die hypothetische situatie denk ik niet dat ik het fundamentele gevoel van verantwoordelijkheid en schuld van me af zou kunnen zetten.
Rationeel weet ik natuurlijk wel dat ik me helemaal niet zo hoef te voelen. Het is niet mijn taak om iedereen gelukkig te maken en ik acht mezelf bijlange na niet zo belangrijk dat ik denk dat de wereld met mij staat of valt.
Maar ik zit er intussen wel maar mooi mee, met dat continu aanwezige gevoel.
Het is niet dat ik mijn best niet probeer te doen.
Ik gaf al.
Hulpmiddelen, conserven, kleren.
En geld.
Op dit moment en in de huidige situatie is dat voor mij het hoogst haalbare, dat besef ik en ik zou het zo graag voldoende willen vinden. Maar het blijft magertjes aanvoelen.
Ik kan het ook gewoon niet vatten allemaal, dat hele gebeuren.
Al die mensen, vaak zonder hun familie, ergens in een vreemd land samengepropt in de hoop een beter leven te vinden.
Ik vind dat zo schrijnend.
Ik word daar fysiek ongemakkelijk van.
En dat maakt het zo hard om loslaten.
Het is veel te omvangrijk om een plaats te geven, denk ik.

Mijn verstand is waarschijnlijk ook veel te klein om het helemaal te begrijpen, dat besef ik, maar dat is voor nu niet het belangrijkste.
Ik zie alleen de mensen.
Ze stromen hier toe met velen, vlak voor de winter zijn intrede doet.
En ik wil niet, nacht na nacht, lekker in mijn warme bedje liggen rollen terwijl ik weet dat er honderden, duizenden mannen, vrouwen, kinderen, baby’s zelfs in ons, en andere nabije, stinkend rijke land buiten in de kou zitten niet wetend of ze er de volgende dag nog zullen zijn.
Het is onze verdomde plicht om die mensen te helpen, voor mij hoeft daar nergens een vraagteken bij.
En ergens hoopte ik dat dit voor iedereen het geval zou zijn.
Dat hulp bieden een evidentie zou zijn, ook al is dat niet altijd de gemakkelijkste weg.
Wij hebben zo ongelooflijk veel.
Té veel.
Allemaal.
Waarom is het dan zo moeilijk om die overvloed te delen met mensen die moeten vluchten om in leven te blijven?
En wat dan nog dat ze al drie landen passeerden waar het geen oorlog is? Verwachten we dan van Turkije wél dat ze in staat zijn alle Syrische vluchtelingen onderdak te bieden terwijl wij aan de zijlijn staan te kijken en helemaal niks doen?
En wat dan nog dat ze op zoek zijn naar een beter leven?
Stel je eens even in hun plaats?
Hoe zou je, excusez-moi le mot, fucking zélf zijn?!

Misselijker nog dan van de situatie zelf, word ik van de reacties die ik her en der zie verschijnen.
Waarom geloven mensen alles wat ze horen of lezen?
Waarom vormen mensen een mening op basis van een half artikel of een half woord op radio en televisie, zonder zelf na te denken of naar argumenten van de andere kant te luisteren?
En waarom is die mening dan ‘klaar’, zonder meer, zonder mogelijkheid tot nuancering of bijstelling?
Waarom zijn mensen zo bot voor mekaar?
Waarom bestaan er mensen die vinden dat zij meer waard zijn dan andere mensen?

Ik las dingen als “Laat ze maar allemaal binnen, dan zijn binnenkort al onze vrouwen verkracht,” en “Geef ze iets en ze moeten het niet eens hebben, de profiteurs. Ze komen hier alleen maar om ons land over te nemen en tegen ons te vechten.”
Bovenstaande reacties plaatsten mensen afgaande op een gepubliceerd artikel van een journalist die nul relevante bronnen kon voorleggen. Een artikel waarover een dag later in alle kranten een rechtzetting gepubliceerd werd waarin stond dat het hele “Vluchtelingen overvallen wagens met hulpmiddelen” totaal uit zijn context gerukt, om niet te zeggen compleet onwaar, was.
Maar dan blijven de reacties uit natuurlijk, want de mening is intussen al gevormd en die kan onmogelijk nog worden aangepast.
“Dat ze zich eerst eens leren aanpassen aan onze normen en waarden,” nog zo’n dooddoener. Let op, ik ben helemaal voor integratie. Ik vind dat we moeten samenleven, in een land van nog geen zakdoek groot, in plaats van ons in groepjes terug te trekken elk op z’n eigen eiland.
Maar als ik afga op de voorbije paar weken, moet ik zeggen dat de waarden en normen waarmee ik werd grootgebracht en waar ik zelf in geloof en probeer naar te leven, er helemaal anders uitzien dan die van vele van mijn landgenoten.

De voorbije weken delen mensen via sociale media alles wat ze maar kunnen vinden om hun mening, dat het helpen van de aankomende vluchtelingenstroom een slecht idee is voor onze samenleving, kracht bij te zetten.
En daarmee bedoel ik ook echt alles.
Van ‘na even zoeken nog enigszins relevant’ tot ‘helemaal over het paard getild’.
Zo kwam ik op Facebook al heel wat artikels tegen over problemen met vluchtelingen die gedeeld werden met bovenschriften als “Zie je wel?!” of “Het is al begonnen”.
Alleen bleken die stukjes uit kranten te komen van vijf, tot soms tien of meer jaar geleden.
Ik vind dat erg.
Ik zag er ook eentje passeren over een verkrachting door een moslim. Daarboven las ik iets in de trant van: “Hupla, het spel begint al, die mannen beginnen den boel hier al over te pakken. Mannen, hou uw vrouwen binnen!”
Elke verkrachting is er één teveel, die discussie hoeft al lang niet meer gevoerd te worden. Maar als ik dan in één oogopslag zie dat het artikel er eentje is uit tweeduizenddertien én uit Groot-Brittannië, ontplof ik.
Echt waar.
Ik reageer niet, maar vanbinnen kook ik.
Mensen vormen zich een mening op basis van koppen van artikels zonder de tekst of blijkbaar zelfs maar de datum of plaats van uitgave te lezen.
Op zich is dat soort gemakzucht iets van alle tijden, met dat verschil dat we nu in een tijd leven waarin we in een vingerknip toegang hebben tot meer informatie dan we ooit zullen kunnen verwerken, en dat meningen vroeger veelal binnenshuis bleven en een stille dood stierven terwijl ze nu ogenblikkelijk de wereld in gekatapulteerd worden.
We delen alles met iedereen, vaak zonder er eerst eens goed over na te denken, zo blijkt.
Maar bon, we dwalen af.
Meer dan genoeg stof om over het ‘meningen kakken op het internet’ een hele blogpost te schrijven, die komt er binnenkort nog wel eens aan.

Terug naar de vluchtelingencrisis.
Meer en meer zie ik dat de ‘ik-ben-geen-racist-maar-ers’ komen aanzetten met “En onze eigen mensen dan, hier zijn ook veel daklozen maar wie helpt die?” als argument waarom we beter geen geld geven aan de vluchtelingen.
Wil je echt weten wie die mensen helpt?
Exact dezelfde mensen die nu bergen verzetten om zich in te zetten voor de vluchtelingen.
Hoe ik dat weet?
Omdat dat mensen zijn die van mensen houden.
Er is inderdaad heel veel armoede in België, schrijnende situaties in overvloed.
En die mensen moeten inderdaad ook worden geholpen.
OOK.
Het erbij sleuren van armoede en daklozen in België is compleet naast de kwestie, dit is geen of/of -verhaal. ‘Onze’ armen waren er al voor de vluchtelingen aankwamen, en zullen er, jammer genoeg, nog steeds zijn als de crisis grotendeels gaan liggen is.
Armoede is een blijvend probleem waar we continu en blijvend aan moeten werken.
Het nu gebruiken als argument om niet te helpen houdt absoluut geen steek.

Wat wel zeker is, is dat hulp voor groepen in moeilijkheden, ver weg of dichtbij, al sinds mensenheugenis van dezelfde mensen komt.
Van mensen die mensen helpen.
Alle mensen.

ALLE.
Ménsen.

Genezen? Kan dat dan?

Vier uur achtenveertig.
Ik lig in het ziekenhuis voor mijn maandelijkse portie ketamine. Slapen wil niet lukken, de hele nacht al niet, en het ziet er ook niet naar uit dat daar snel verandering in zal komen.
Mijn gedachten vliegen al enkele uren alle kanten uit, wat me doet denken dat ik me maar beter op één doel kan gaan richten.
Wat ik nu dus ook doe.
Schrijven.

Er zitten al geruime tijd enkele blogposts klaar.
In mijn hoofd.
De redenen dat ze nog niet eerder op papier verschenen zijn velerlei.
Een daarvan zijn de Gentse Feesten…
Ik woon in Gent, al elf jaar intussen, Gent is mijn stad, voor mij veel meer dan zomaar ‘de plaats waar ik woon’ en daar ben ik trots op.
Helemaal niks van de Gentse Feesten kunnen meepikken is dan ook iets dat me gemakkelijk kan aanzetten tot enkele dagen tranen met tuiten huilen. Ik doe er dan ook werkelijk alles aan om het niet zover te laten komen.
Dus ik rust.
En ik rust.
En ik rust.
Ik rust de we(e)k(en) ervoor zoveel als ik maar kan, om er toch maar voor te zorgen dat ik me minstens één keer kan laten zien op de Feesten en even mee kan proeven van de gezellige sfeer die de Feesten maken tot wat ze zijn.
En dat lukte dit jaar, een keer of drie zelfs.
Ik at van verschillende kraampjes, zag heel veel fijne vrienden, leerde hier en daar wat nieuwe gezichten kennen en was vaste klant op het tienjarig jubileum van Bataclan.
Alleen het schrijven had er even onder te lijden.

Om tot de essentie van deze blogpost te komen moet ik nog een stukje verder terug in de tijd.
Voorlopig heb ik het alleen nog maar gehad over het waarom van het niet eerder verschijnen van deze post en nog helemaal niet over de post zelf.
Begrijp je?

Ik sta er goed voor.
Dat lijkt me een mooie opener.
Op één van de mooie laatste dagen van juni, vlak na een heerlijke citytrip naar Boedapest, waarover in een later verslag nog veel meer, verwachtte professor De Meirleir mij opnieuw op consultatie. Twee maanden eerder, na de eerste twee zware antibioticakuren, werd zowat al mijn bloed afgetapt om te laten onderzoeken en daar zouden we nu de resultaten van bespreken.
Ik was best zenuwachtig voor de afspraak.
Als de resultaten hoopgevend waren, betekende dat voor mij dat ik voor de eerste keer in pakweg tien, vijftien jaar echt op de goede weg was.
Toonden mijn bloedresultaten echter geen enkele verandering, dan was dit de zoveelste teleurstelling en konden we weer zo goed als van nul beginnen.

Gelukkig is het zover niet moeten komen.
Mijn lichaam doet het ontzettend goed.
Zowat alle extreem-tot-zwaar- afwijkende waarden zetten koers richting normaliteit. Ik kon me geen beter nieuws indenken.
Het duurde wel een tijdje voor Bas en ik begrepen dat het om goed nieuws ging, aangezien de dokter weer even in overdrive ging wat betreft informatie overbrengen op zulk een manier dat geen enkel normaal wezen er een jota van begrijpt. De medische en wetenschappelijke termen vlogen in het rond, en mijn liefste en ik zaten erbij te kijken als een koe naar een trein.
Zo erg dat Bas aan het eind van de consultatie, voor alle zekerheid, toch nog eens alles trachtte samen te vatten met de vraag: ‘We hebben nu toch goed begrepen dat dit eigenlijk allemaal heel erg goed nieuws is hé?’.
Toen antwoordde hij ‘Ja’.
Dat begrepen we.

‘Maar wat betekent dat nu, die goede bloeduitslag?’, willen veel mensen van mij weten.
Wel, dat betekent dat de bacteriën in mijn lichaam goed, dus voor hen eigenlijk slecht, reageren op de antibiotica. Mijn lichaam vecht als een heuse krijger en maakt de vuile beesten één voor één kapot. Dat kost massa’s energie, wat ik al had kunnen afleiden uit het feit dat ik de eerste maanden van het jaar kotsend heb doorgebracht.
Achteraf gezien was die hel van toen eigenlijk een heel goed teken, een teken dat er verandering op komst was. Of die wetenschap het afzien op dat moment minder zwaar had gemaakt betwijfel ik, maar nu doet het me die hele periode alleszins wel compleet kapot relativeren, het voelt bijna alsof ik er nooit doorheen ben gemoeten.
Bijna.

Als je graag een bewijs wil dat mentale kracht een mens kan doen opleven, moet je nu (allé niet écht ‘nu’ natuurlijk, het is midden in de nacht) eens bij mij op bezoek komen.
Het geweldige nieuws dat ik vanaf dit punt alleen maar vooruit kan gaan, het herwonnen geloof dat ik kan genezen, plus het feit dat die heel zware bijwerkingen achter de rug zijn waardoor ik weer naar buiten kan, vrienden kan zien en mijn leven weer wat kan opnemen, hebben van mij op enkele weken tijd een ander mens gemaakt.
‘Je straalt!’, moet één van de zinnen zijn die ik gedurende de voorbije paar weken het vaakst heb gehoord. En dat terwijl ik fysiek voorlopig nog helemaal geen verandering voel.
Maar ik weet dat ze eraan zit te komen, die verandering, die verbetering.
En dat is voorlopig voldoende.
Twee weken geleden zaten Bas en ik op het terras van de Vooruit, voor mij was het de allereerste keer dat ik daar geraakte, een moment waarop ik al een jaar of twee wachtte dus.
We zaten daar, met een drankje voor onze neus, en ik kon alleen maar heel breed glimlachen.
Toen Bas me vroeg waarom ik zo zat te lachen, antwoordde ik dat de gelukzaligheid me op dat moment compleet had overdonderd. Ik was zo ontzettend blij dat ik daar zat, daar op dat terras van de Vooruit, met de belangrijkste persoon in mijn leven, in de zon, vlak voor een (bleek achteraf geweldige) comedyvoorstelling.

Ik besef nu pas dat een mens eigenlijk echt niet zoveel nodig heeft om gelukkig te zijn, we zijn alleen allemaal zo ontzettend verwend dat het nooit genoeg is.
Neem nu zondag, ik bakte pannenkoeken omdat we niet door de eieren van onze kip (ja, we zijn sinds kort ook mama en papa van een kip, Curry genaamd) geraken.
Zondagmiddag, de regen viel met bakken uit de lucht, maar ik zat binnen in een huis vol vrienden aan een tafel met twee grote stapels pannenkoeken erop.
Een hele namiddag keuvelen over alles en niets en ‘s avonds een tafel vol Chinees eten om te delen met de overblijvers die maar niet naar huis geraakten.
Fantastisch toch?

Dat is wat mij gelukkig maakt, en wat me altijd heeft gesterkt als ik het moeilijk had de voorbije jaren.
Vrienden.
Familie.
Mensen die ik graag zie en die mij graag zien.
Liefde in kleine dingen.
In een pannenkoek of een bord spaghetti.
Of in een dekentje over me heen draperen als ik halverwege de middag even niet meer kan.
Als je dat hebt hoef je niet meer rijk te worden.
Dan bén je het al.